Art. 40 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Minimumvrijboord

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. Het minimumvrijboord in de zomer is het vrijboord verkregen uit de tabellen in voorschrift 28 als gewijzigd door de correcties in voorschrift 27, voor zover van toepassing, en in de voorschriften 29, 30, 31, 32, 37, 38 en, indien van toepassing, 39.

2. Het vrijboord in zoutwater als berekend krachtens lid 1, doch zonder de correctie voor de deklijn als bedoeld in voorschrift 32, mag niet minder zijn dan 50 mm. Voor schepen die op plaatsen van categorie 1 luikopeningen hebben met luiken die niet voldoen aan de eisen van voorschrift 16 leden 1 tot en met 5 of voorschrift 26, mag het vrijboord niet minder zijn dan 150 mm.

3. Het minimumvrijboord in het tropisch vaargebied is het vrijboord verkregen door aftrek van het zomervrijboord van één achtenveertigste van de zomerdiepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de cirkel van het uitwateringsmerk.

4. Het vrijboord in zoutwater als berekend krachtens lid 3, doch zonder de correctie voor de deklijn als bedoeld in voorschrift 32, mag niet minder zijn dan 50 mm. Voor schepen die op plaatsen van categorie 1 luikopeningen hebben met luiken die niet voldoen aan de eisen van voorschrift 16, leden 1 tot en met 5, of voorschrift 26, mag het vrijboord niet minder zijn dan 150 mm.

5. Het minimumwintervrijboord is het vrijboord verkregen door optelling bij het zomervrijboord van één achtenveertigste van de zomerdiepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de cirkel van het uitwateringsmerk.

6. Het minimumvrijboord voor schepen van niet meer dan 100 m lengte die gedurende het winterseizoen enig deel van de Noord-Atlantische Oceaan als aangegeven in voorschrift 52 (Bijlage II) bevaren, moet het wintervrijboord zijn, vermeerderd met 50 mm. Voor andere schepen is het wintervrijboord in de Noord-Atlantische Oceaan gelijk aan het wintervrijboord.

7. Het minimumvrijboord in zoetwater met een soortelijk gewicht van l wordt verkregen door van het minimumvrijboord in zoutwater af te trekken: waarbij: de waterverplaatsing is in tonnen bij de lijn voor zomeruitwatering, en T het aantal tonnen is waarmee de waterverplaatsing per centimeter in zoutwater bij zomeruitwatering toeneemt.

8. Wanneer de waterverplaatsing bij de lijn voor zomeruitwatering niet met zekerheid kan worden vastgesteld, moet de aftrek één achtenveertigste van de zomerdiepgang zijn, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt van de cirkel van het uitwateringsmerk.

Vorige artikelen

Volgende artikelen