Art. 38 Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966, Zeeg

Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen, 1966

1. De zeeg wordt gemeten van het dek in de zijde tot een denkbeeldige lijn die evenwijdig aan de kiel door de zeeglijn op het midden van de lengte is getrokken.

2. Van schepen die met stuurlast ontworpen zijn, wordt de zeeg gemeten ten opzichte van een denkbeeldige lijn evenwijdig aan de ontwerplastlijn.

3. Van gladdekschepen en van schepen met onderbroken bovenbouw wordt de zeeg van het vrijboorddek gemeten.

4. Van schepen waarvan de bovenzijde van het scheepsboord een ongewone vorm heeft en waarbij een terugwijking of verspringing in die bovenzijde voorkomt, wordt de zeeg beschouwd in relatie tot de gelijkwaardig holte in het midden van de lengte.

5. Van schepen met een bovenbouw van standaardhoogte die zich over de gehele lengte van het vrijboorddek uitstrekt, wordt de zeeg van het dek van de bovenbouw gemeten. Wanneer de hoogte van de bovenbouw de standaardhoogte overtreft, wordt het kleinste verschil (Z) tussen de werkelijke hoogte en de standaardhoogte toegevoegd aan iedere eindordinaat. De tussenliggende ordinaten op afstanden van 1/6 L en 1/3 L vanaf de loodlijnen worden respectievelijk met 0,444 Z en 0,111 Z verhoogd. Wanneer op de bovenbouw een gesloten kampanje of bak is geplaatst, wordt voor een dergelijke kampanje of bak een vergroting van de zeeg toegestaan, overeenkomstig de in lid 12 omschreven methode als getoond in afbeelding 38.1.

6. Wanneer het dek van een gesloten bovenbouw ten minste dezelfde zeeg heeft als het blootgestelde vrijboorddek, wordt de zeeg van het ingesloten gedeelte van het vrijboorddek niet in rekening gebracht.

7. Wanneer een gesloten kampanje of bak van standaardhoogte een grotere zeeg heeft dan het vrijboorddek of wanneer de hoogte de standaardhoogte overtreft, mag de zeeg van het vrijboorddek zoals aangegeven in lid 12 worden vergroot. Wanneer een kampanje of bak uit twee lagen bestaat, moet de in afbeelding 38.2 getoonde methode worden gehanteerd. Op de afbeeldingen 38.1 en 38.2 zijn de volgende definities van toepassing: Wanneer de lengte van de eerste laag van de bovenbouw groter is dan 0,5 l, begint de virtuele standaard parabolische kromme midscheeps als aangegeven in afbeelding 38.1.

Z

is als omschreven in lid 5; en

Zv

is de eindordinaat van een virtuele standaard parabolische kromme genomen door het punt „X”. Indien Zv groter is dan (Z + h), is de eindordinaat (Z + h), in welk geval het punt „X” en kromme (2) niet in aanmerking worden genomen.

8. De ordinaten van de standaardzeeglijn worden in de volgende tabel aangegeven:

9. Wanneer de zeeglijn niet samenvalt met de standaardzeeglijn, worden de vier ordinaten van beide lijnen in de voorste en achterste helft vermenigvuldigd met de daarbij behorende factoren als aangegeven in de tabel van ordinaten. Het verschil tussen de sommen van de respectieve producten, gedeeld door 8, geeft het tekort of de overmaat aan zeeg in de voorste of achterste helft aan. Het rekenkundig gemiddelde van de overmaat of het tekort in de voorste en achterste helft geeft de overmaat of het tekort aan zeeg aan.

10. Wanneer de achterste helft van de zeeglijn hoger is dan de standaard en de voorste helft lager is dan de standaard, wordt de overmaat niet in aanmerking genomen en slechts het tekort in rekening gebracht.

11. Wanneer de voorste helft van de zeeglijn hoger is dan de standaard en het achterste deel van de zeeglijn niet lager is dan 75% van de standaard, wordt de overmaat in rekening gebracht. Wanneer het achterste deel lager is dan 50% van de standaard wordt geen rekening gehouden met de overmaat aan zeeg in het voorschip. Wanneer de zeeg in het achterschip een waarde heeft tussen 50% en 75% van de standaardzeeg, kan een tussenliggende correctie voor de overmaat aan zeeg in het voorschip worden toegestaan.

12. Wanneer een vergroting van de zeeg wordt toegestaan voor een kampanje of een bak, wordt de volgende formule gebruikt: waarbij: Bovenstaande formule stelt een kromme voor in de vorm van een parabool die raakt aan de werkelijke zeeglijn van het vrijboorddek en die de eindordinaat snijdt in een punt beneden het bovenbouwdek op een afstand die gelijk is aan de standaardhoogte van de bovenbouw. De hoogte van het bovenbouwdek mag op geen enkel punt boven deze kromme geringer zijn dan de standaardhoogte. Deze kromme moet worden gebruikt voor de vaststelling van de zeeglijn voor de voorste en de achterste helft van het schip.

s

de vergroting is van de zeeg, af te trekken van het tekort aan of toe te voegen aan de overmaat aan zeeg;

y

het verschil is tussen de werkelijke hoogte en standaardhoogte van de bovenbouw op de achter- of voorloodlijn;

L

„de gemiddelde gesloten lengte is van de kampanje of de bak tot een maximumlengte van 0,5 L; en

L

de lengte is van het schip als omschreven in voorschrift 3, lid 1.

a. Elke overschrijding in de hoogte van een bovenbouw die zich niet uitstrekt tot de achterste loodlijn kan niet worden beschouwd als bijdragend tot de zeegmarge.

b. Wanneer de hoogte van een bovenbouw kleiner is dan de standaardhoogte, mag het bovenbouwdek op geen enkel punt lager dan de minimumhoogte van de bovenbouw op enig punt boven de virtuele zeegkromme liggen. Voor de toepassing hiervan moet y worden genomen als het verschil tussen de feitelijke en de minimumhoogte van de bovenbouw ter hoogte van de achterste/voorste loodlijn.

c. Met een verhoogd halfdek mag alleen rekening worden gehouden wanneer de hoogte van dit halfdek groter is dan de standaardhoogte van ’andere bovenbouwen’ als omschreven in voorschrift 33, en uitsluitend voor het gedeelte waarmee de feitelijke hoogte van het verhoogde halfdek die standaardhoogte overschrijdt.

d. Wanneer een kampanje of bak schuin aflopende eindschotten heeft, mag een vergroting van de zeeg worden toegestaan vanwege de overmaat aan hoogte. De in lid 12 gegeven formule moet worden gebruikt, waarbij de waarden voor y en L’ de in figuur 38.3 aangegeven waarden zijn.

14. De correctie voor zeeg is het tekort of de overmaat aan zeeg (zie de leden 9 tot en met 11) vermenigvuldigd met waarbij S1 de totale lengte S voorstelt van een gesloten bovenbouw als omschreven in voorschrift 34 zonder trunk.

15. Wanneer de zeeg kleiner is dan de standaardzeeg, wordt de wijziging voor het tekort aan zeeg (zie lid 14) bij het vrijboord opgeteld.

16. Voor schepen waar een gesloten bovenbouw 0,1 L vóór en 0,1 L achter het midden van de lengte van het schip bedekt, wordt de wijziging voor een overmaat aan zeeg als berekend krachtens de bepalingen van lid 14 van het vrijboord afgetrokken; voor schepen waar geen gesloten bovenbouw het midden van het schip bedekt, wordt niets van het vrijboord afgetrokken; wanneer een gesloten bovenbouw minder dan 0,1 L vóór en 0,1 L achter het midden van de lengte van het schip bedekt, wordt de aftrek door lineaire interpolatie bepaald. De maximumaftrek voor een overmaat aan zeeg is 125 mm per 100 m lengte. Bij de toepassing van dit lid moet de hoogte van de bovenbouw worden gerelateerd aan de standaardhoogte ervan. Wanneer de hoogte van de bovenbouw of het verhoogde halfdek lager is dan de standaardhoogte, moet de vermindering worden toegepast naar verhouding van de feitelijke hoogte tot de standaardhoogte ervan.

Vorige artikelen

Volgende artikelen