Art. 45 SOLAS, Voorzorgsmaatregelen tegen gevaar van aanraken van onder spanning staande delen, tegen brand en andere gevaren van elektrische oorsprong
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
1.1. Onbeschermde metalen delen van elektrische machines of uitrusting die niet zijn bestand om onder spanning te staan, maar die door een defect wel onder spanning zouden kunnen komen, dienen te zijn geaard, tenzij de machines of de uitrusting:
1. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 50V bij gelijkstroom of 50V tussen de geleiders bij wisselstroom; om deze spanning te bereiken, mogen geen spaartransformatoren worden gebruikt; of
2. worden gevoed met een spanning niet hoger dan 250V, verkregen van beschermingstransformatoren, waarop slechts één verbruiksinstallatie is aangesloten; of
3. zijn geconstrueerd volgens het beginsel van dubbele isolatie.
1.2. De Administratie kan aanvullende voorzorgsmaatregelen verlangen voor verplaatsbare elektrische uitrustingen die worden gebruikt in afgesloten of uitzonderlijk vochtige ruimten waar bijzondere gevaren kunnen bestaan als gevolg van geleidbaarheid.
1.3. Alle elektrische apparaten dienen zodanig te zijn geconstrueerd en zodanig te zijn aangebracht dat zij geen letsel veroorzaken bij normale behandeling of aanraking.
2. Hoofd- en noodschakelborden dienen zodanig te zijn geïnstalleerd dat het personeel in voorkomend geval zonder gevaar gemakkelijk toegang kan verkrijgen tot apparatuur en uitrusting. De zijkanten en de achterzijde en, waar nodig, de voorzijde van de schakelborden dienen doelmatig te zijn beschermd. Aan de voorzijde van zodanige schakelborden mogen geen onbeschermde, stroomvoerende delen zijn aangebracht, waarvan de spanning ten opzichte van de aarde hoger ligt dan een door de Administratie vast te stellen spanning. Waar nodig moeten aan de voor- en achterzijde van het schakelbord matten of roosters zijn aangebracht van niet geleidend materiaal.
3.1. Het verdeelsysteem waarbij het schip als terugleiding wordt gebruikt, mag voor geen enkel doel worden gebruikt op een tankschip, of voor krachtvoorziening, verwarming of verlichting op enig ander schip van 1600 ton bruto of meer.
3.2. De vereisten vervat in paragraaf 3.1 sluiten, onder door de Administratie aanvaarde voorwaarden, niet uit het gebruik van:
1. kathodische bescherming met opgedrukte stroom;
2. beperkte en plaatselijk geaarde systemen; of
3. apparatuur voor controle van de isolatieweerstand, mits de circulatiestroom onder de meest ongunstige omstandigheden niet meer bedraagt dan 30mA.
3.2.1. Voor schepen gebouwd op of na 1 oktober 1994 sluit het vereiste van paragraaf 3.1 niet het gebruik uit van beperkte en plaatselijk geaarde systemen, mits mogelijk hieruit voortkomende stroom niet rechtstreeks door een van de gevaarlijke ruimten kan stromen.
3.3. Waar gebruik wordt gemaakt van het verdeelsysteem met het schip als terugleiding dienen alle eindgroepen, dat wil zeggen alle stroomkringen na de laatste beveiliging, dubbelpolig te zijn en moeten ten genoegen van de Administratie bijzondere voorzorgsmaatregelen worden getroffen.
4.1. Op een tankschip mogen geen geaarde verdeelsystemen worden gebruikt. De Administratie kan bij wijze van uitzondering toestaan dat op een tankschip in draaistroominstallaties met een lijnspanning van 3.000V of hoger, het sterpunt wordt geaard, mits mogelijk hieruit voortkomende stroom niet rechtstreeks door een van de gevaarlijke ruimten kan stromen.
4.2. Wanneer een niet-geaard primair of secundair verdeelsysteem wordt gebruikt voor krachtvoorziening, verwarming of verlichting, moet dit zijn voorzien van een middel om de isolatieweerstand ten opzichte van de aarde voortdurend te controleren en dat een hoorbare of zichtbare aanwijzing geeft wanneer de isolatieweerstand abnormaal laag is.
4.3. Schepen gebouwd op of na 1 oktober 1994 moeten, in plaats van aan de bepalingen van paragraaf 4.1, voldoen aan de volgende vereisten:
.1 Behalve voor zover toegestaan krachtens 4.3.2, mogen op een tankschip geen geaarde verdeelsystemen worden gebruikt.
.2 Het vereiste van paragraaf 4.3.1 sluit het gebruik niet uit van geaarde intrinsiek veilige stroomkringen en daarnaast, onder door de Administratie goedgekeurde voorwaarden, het gebruik van de volgende geaarde systemen:
.2.1 elektrisch gevoede stroomkringen voor bediening en instrumentatie waar om technische redenen of veiligheidsredenen het gebruik van een niet-geaard systeem is uitgesloten, mits de stroom in de scheepsromp beperkt is tot niet meer dan 5 ampères zowel onder normale omstandigheden als tijdens storingen;
.2.2 beperkte en plaatselijk geaarde systemen, mits mogelijk hieruit voortkomende stroom niet rechtstreeks door een van de gevaarlijke ruimten kan stromen; of
.2.3 draaistroominstallaties met een lijnspanning van 1.000 V effectieve waarde of hoger, mits mogelijk hieruit voortkomende stroom niet rechtstreeks door een van de gevaarlijke ruimten kan stromen.
5.1. Behoudens toestemming van de Administratie in uitzonderlijke omstandigheden, dienen alle metalen mantels en afschermingen van kabels in elektrische zin continu en geaard te zijn.
5.2. Alle elektrische kabels en alle uitwendige bedrading naar apparatuur, dienen ten minste van een vlamvertragend type te zijn en dienen zodanig te zijn aangebracht dat hun oorspronkelijke vlamvertragende eigenschappen niet worden aangetast. Waar nodig voor bijzondere toepassingen kan de Administratie toestaan dat speciale soorten kabels worden gebruikt, zoals hoog-frequentkabels, die niet voldoen aan de hierboven vervatte vereisten.
5.3. Kabels en bedrading die dienen voor de essentiële krachtvoorziening of de noodkrachtvoorziening, voor verlichting, interne communicatie of signaalinrichtingen, dienen, voor zover mogelijk, niet door kombuizen, wasruimten, ruimten voor machines van categorie A en hun schachten, alsmede andere zeer brandgevaarlijke ruimten te worden gevoerd. Op ro-ro passagiersschepen moet de bekabeling voor noodalarmen en voor scheepsomproepsystemen die op of na 1 juli 1998 zijn geïnstalleerd, worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de aanbevelingen van de Organisatie. Kabels die de brandbluspompen verbinden met het noodschakelbord dienen brandbestendig te zijn daar waar zij door sterk brandgevaarlijke ruimten lopen. Waar mogelijk dienen al dit soort kabels zodanig te zijn aangelegd dat zij niet onbruikbaar kunnen worden door eventuele verhitting van de schotten als gevolg van brand in een aangrenzende ruimte.
5.4. Wanneer kabels die in gevaarlijke ruimten zijn aangebracht gevaar van brand of ontploffing met zich brengen in geval van een elektrisch defect in zodanige ruimten, dienen, ten genoegen van de Administratie, bijzondere voorzorgen tegen zodanige risico's te zijn getroffen.
5.5. Kabels en bedrading dienen op zodanige wijze te zijn aangebracht en ondersteund dat schavielen of andere schade wordt vermeden.
5.6. Aansluitingen en aftakkingen van alle leidingen dienen zodanig te zijn vervaardigd dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, vlamvertragende en, waar nodig, brandwerende eigenschappen van de kabel behouden blijven.
6.1. Iedere afzonderlijke stroomkring dient te zijn beveiligd tegen kortsluiting en tegen overbelasting, behalve als toegestaan ingevolge Voorschrift 29 en 30, of wanneer de Administratie bij wijze van uitzondering anderszins toestaat.
6.2. De nominale waarde of de juiste afstelling van de beveiliging tegen overbelasting dient voor iedere stroomkring permanent te zijn aangegeven ter plaatse van de beveiligingsinrichting.
7. Verlichtingsarmaturen dienen zodanig te zijn geïnstalleerd dat geen temperatuurstijging kan ontstaan die de kabels en de bedrading zouden kunnen beschadigen en dat een te sterke verhitting van omringend materiaal wordt voorkomen.
8. Alle stroomkringen voor verlichting en krachtvoorziening in een bunker of een laadruimte dienen te zijn voorzien van een meerpolige schakelaar buiten die ruimte, om zodanige stroomkringen te kunnen verbreken.
9.1. Accumulatorenbatterijen moeten op een daartoe geschikte plaats zijn ondergebracht en de primair hiervoor gebruikte ruimten moeten doelmatig zijn ingericht en doeltreffend worden geventileerd.
9.2. In zodanige ruimten mogen zich geen elektrische of andere uitrustingen bevinden, die een ontstekingsbron kunnen vormen voor brandbare gassen behalve zoals toegestaan krachtens paragraaf 10.
9.3. Accumulatorenbatterijen mogen niet zijn opgesteld in nachtverblijven, behalve wanneer zij ten genoegen van de Administratie hermetisch zijn afgesloten.
10. Er mogen geen elektrische uitrustingen worden aangebracht in een ruimte waarin zich brandbare mengsels zouden kunnen verzamelen, bijvoorbeeld in afdelingen die in hoofdzaak zijn bestemd voor accumulatorbatterijen, in verfhutten, opslagruimten voor acetyleen of soortgelijke ruimten, tenzij ten genoegen van de Administratie is aangetoond dat zodanige uitrusting:
.1 van essentieel belang is om bedrijfstechnische redenen;
.2 van een type is dat het betrokken mengsel niet zal ontsteken;
.3 geschikt is voor de betrokken ruimte; en
.4 geschikt is verklaard voor veilig gebruik in de stoffen, dampen of gassen zoals die waarschijnlijk zullen voorkomen.
11. Op tankschepen mogen elektrische apparatuur, kabels en bedrading niet worden aangebracht op gevaarlijke plaatsen, tenzij deze voldoen aan normen die niet minder strikt zijn dan die welke voor de Organisatie aanvaardbaar zijn. Echter, op plaatsen waarvoor die normen niet gelden, mogen elektrische apparatuur, kabels en bedrading die niet voldoen aan de normen op gevaarlijke plaatsen worden aangebracht na een risicobeoordeling ten genoegen van de Administratie, teneinde te garanderen dat een gelijkwaardig niveau van veiligheid wordt gewaarborgd.
12. Op een passagiersschip dienen de stroomverdelingssystemen zodanig te zijn aangebracht dat brand in een van de verticale hoofdsecties, zoals omschreven in Voorschrift II-2/3.9, niet de diensten die essentieel zijn voor de veiligheid in een andere zodanige sectie zal ontregelen. Aan deze eis zal zijn voldaan indien de hoofd- en noodvoedingleidingen die door een zodanige sectie lopen zowel verticaal, als horizontaal, zo ver mogelijk uit elkaar lopen.