Art. 43 SOLAS, Elektrische noodkrachtbron op vrachtschepen
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
1.1. Er moet een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron zijn aangebracht.
1.2. De elektrische noodkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord moeten boven het bovenste doorlopende dek zijn opgesteld en moeten gemakkelijk toegankelijk zijn vanaf het open dek. Zij mogen niet vóór het aanvaringsschot zijn geplaatst, tenzij dit in buitengewone omstandigheden door de Administratie wordt toegestaan.
1.3. De elektrische noodkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en de noodverlichtingsschakelborden moeten ten opzichte van de elektrische hoofdkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren en het hoofdschakelbord zodanig zijn opgesteld dat de voeding, de bediening en de verdeling van de noodstroomvoorziening niet kunnen worden beïnvloed door brand of een ander ongeval in de ruimten waarin de elektrische hoofdkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren en het hoofdschakelbord zijn opgesteld of in een ruimte voor machines van categorie A, zulks ten genoegen van de Administratie. Voor zover uitvoerbaar, mag de ruimte waarin de elektrische noodkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron en het noodschakelbord zijn opgesteld, niet grenzen aan de begrenzingen van ruimten voor machines van categorie A, noch aan de ruimten waarin de elektrische hoofdkrachtbron en eventuele bijbehorende transformatoren of het hoofdschakelbord zijn geplaatst.
1.4. Mits geëigende maatregelen zijn getroffen om de onafhankelijke werking in noodgeval onder alle omstandigheden te waarborgen, mag bij wijze van uitzondering en voor korte duur de noodgenerator worden gebruikt voor stroomvoorziening van andere noodstroomkringen.
2. Het beschikbare elektrische vermogen moet voldoende zijn om stroom te leveren aan al die diensten die in geval van nood essentieel zijn voor de veiligheid, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met die diensten die te gelijker tijd in bedrijf moeten kunnen zijn. De elektrische noodkrachtbron moet in staat zijn om, rekening houdend met aanloopstromen en de tijdelijke aard van bepaalde belastingen, te gelijker tijd, gedurende de hierna aangegeven tijd, stroom te leveren aan ten minste de volgende diensten, indien deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron:
2.1. Gedurende 3 uur aan de noodverlichting bij elke appelplaats en elk inschepingsstation en buitenboord, zoals vereist volgens de Voorschriften III/11.4 en III/15.7.
2.2. Gedurende 18 uur aan de noodverlichting:
1. in alle gangen, bij alle trappen en uitgangen en in de kooien en schachten van personeelsliften in dienstruimten en ruimten voor accommodatie;
2. in ruimten voor machines en hoofdgeneratorstations, met inbegrip van hun bedieningsplaatsen;
3. in alle controlestations en machine-controlekamers en bij elk hoofd- en noodschakelbord;
4. bij alle bergplaatsen van brandweeruitrustingen;
5. bij de stuurinrichting;
6. bij de brandbluspomp bedoeld in paragraaf 2.5, bij de sprinklerpomp, indien aanwezig, en bij de noodlenspomp, indien aanwezig, alsook op de plaatsen waar de motoren hiervan kunnen worden ingeschakeld; en
.7 in alle ladingpompkamers van tankschepen gebouwd op of na 1 juli 2002.
2.3. Gedurende 18 uur:
.1 aan de navigatielichten en aan andere lichten vereist ingevolge de van kracht zijnde Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee; en
.2 op schepen die op of na 1 februari 1995 zijn gebouwd, aan de VHF-radio-installatie vereist ingevolge Voorschrift IV/7.1.1 en IV/7.1.2; en, indien van toepassing:
.2.1 aan de MF-radio-installatie vereist ingevolge de Voorschriften IV/9.1.1, IV/9.1.2, IV/10.1.2 en IV/10.1.3;
.2.2 aan het scheepssatellietstation vereist ingevolge Voorschrift IV/10.1.1; en
.2.3 aan de MF/HF-radio-installatie vereist ingevolge de voorschriften IV/11.1.1 en IV/11.1.2.
2.4. Gedurende 18 uur aan:
1. alle interne communicatiemiddelen welke in geval van nood zijn vereist;
2. de navigatiemiddelen aan boord van het schip als vereist krachtens Voorschrift V/12; waar het niet redelijk of uitvoerbaar is zodanige voorzieningen te treffen, kan de Administratie voor schepen kleiner dan 5000 ton bruto afzien van deze eisen;
3. de brandontdekkings- en brandalarminstallatie; en
4. het intermitterend gebruik van de dagseinlamp, de scheepsfluit, de met de hand te bedienen meldingspunten en alle interne signaleringen welke in geval van nood zijn vereist; tenzij deze diensten voor een periode van 18 uur onafhankelijk worden gevoed door een accumulatorenbatterij, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats.
2.5. Gedurende 18 uur aan één van de krachtens Voorschrift II-2/ 4.3.1 en 4.3.3 vereiste brandbluspompen, indien deze voor zijn krachtvoorziening afhankelijk is van de noodgenerator.
2.6.1. Gedurende de krachtens Voorschrift 29.14 vereiste tijd aan de stuurinrichting, indien krachtens dit Voorschrift wordt verlangd dat deze aldus wordt gevoed.
2.6.2. Op een schip dat regelmatig voor korte reizen wordt gebruikt kan de Administratie, indien te haren genoegen is aangetoond dat een voldoende mate van veiligheid zou worden bereikt, een tijdsduur van minder dan de in paragraaf 2.2 tot 2.5 aangeduide 18 uur, maar van niet minder dan 12 uur aanvaarden.
3. De elektrische noodkrachtbron kan hetzij een generator, hetzij een accumulatorenbatterij zijn, die dient te voldoen aan de volgende eisen:
3.1. Wanneer de elektrische noodkrachtbron een generator is, dient deze:
1. te worden aangedreven door een daartoe geschikt aandrijfwerktuig met een onafhankelijke voorziening van de brandstof waarvan het vlampunt (gesloten kroesmethode) niet lager is dan 43°C;
2. automatisch te starten wanneer de voeding vanaf de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt tenzij is voorzien in een tijdelijke elektrische noodkrachtbron in overeenstemming met paragraaf 3.1.3; wanneer de noodgenerator automatisch wordt gestart, moet deze automatisch worden overgeschakeld op het noodschakelbord; de in paragraaf 4 bedoelde diensten moeten dan automatisch worden overgeschakeld op het noodgeneratoraggregaat; en tenzij er een tweede onafhankelijke startinrichting voor het noodgeneratoraggregaat aanwezig is, dient de enig beschikbare bron van geaccumuleerde energie te worden beveiligd om te voorkomen dat deze volledig uitgeput raakt door de automatische aanzetinrichting; en
3. te zijn voorzien van een tijdelijke elektrische noodkrachtbron als vermeld in paragraaf 4 tenzij is voorzien in een noodgenerator die in staat is de in die paragraaf genoemde diensten te voeden en die automatisch kan worden aangezet en de vereiste belasting kan leveren zo snel als veilig en uitvoerbaar is, zulks echter binnen maximaal 45 seconden.
3.2. Wanneer de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, dient deze in staat te zijn:
1. de elektrische noodbelasting op te nemen zonder tussentijds opladen, terwijl de spanning van de accumulatorenbatterij gedurende de gehele ontlaadperiode blijft gehandhaafd op niet meer dan 12% boven of onder zijn nominale spanning;
2. automatisch op het noodschakelbord te schakelen ingeval de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt; en
3. onmiddellijk ten minste aan de in paragraaf 4 vermelde diensten stroom te leveren.
3.3 De volgende bepaling van paragraaf 3.1.2 geldt niet voor schepen gebouwd op of na 1 oktober 1994: tenzij een tweede, onafhankelijke aanzetinrichting voor het noodgenerator-aggregaat aanwezig is, dient de enig beschikbare bron van geaccumuleerde energie te worden beveiligd om te voorkomen dat deze volledig uitgeput raakt door de automatische aanzetinrichting.
3.4 Voor schepen gebouwd op of na 1 juli 1998, waarvoor elektrisch vermogen nodig is voor herstel van de voortstuwing, moet het vermogen voldoende zijn om de voortstuwing van het schip te herstellen, eventueel met andere werktuigen, vanuit dood-schip-toestand binnen 30 minuten na een uitval.
4. De krachtens paragraaf 3.1.3 vereiste tijdelijke elektrische noodkrachtbron dient te bestaan uit een accumulatorenbatterij, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats, die dient te functioneren zonder tussentijds opladen, terwijl de spanning van de batterij gedurende de gehele ontlaadperiode blijft gehandhaafd op niet meer dan 12% boven of onder zijn nominale spanning en die voldoende capaciteit dient te hebben en zodanig moet zijn uitgevoerd dat hij, bij het eventuele uitvallen van hetzij de elektrische hoofdkrachtbron, hetzij de elektrische noodkrachtbron, automatisch ten minste gedurende een half uur de volgende diensten van stroom voorziet, indien zij voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron:
1. de ingevolge paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3.1 vereiste verlichting. Voor deze overgangsfase kan in de vereiste elektrische noodverlichting ten behoeve van de ruimte voor machines alsook van de ruimten voor accommodatie en dienstruimten worden voorzien door permanent vast aangebrachte, individuele, automatisch opgeladen accumulatorenlampen die in werking worden gesteld met behulp van een relais; en
2. alle volgens paragraaf 2.4.1, 2.4.3 en 2.4.4 vereiste diensten, tenzij deze diensten gedurende bedoelde tijdsduur onafhankelijk worden gevoed door een accumulatorenbatterij opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats.
5.1. Het noodschakelbord dient zo dicht bij de elektrische noodkrachtbron te zijn aangebracht als praktisch mogelijk is.
5.2. Wanneer de elektrische noodkrachtbron een generator is, dient het noodschakelbord in dezelfde ruimte te zijn geplaatst, tenzij de werking van het noodschakelbord hierdoor nadelig zou worden beïnvloed.
5.3. Een accumulatorenbatterij aangebracht in overeenstemming met dit Voorschrift mag niet worden opgesteld in dezelfde ruimte als het noodschakelbord. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machinecontrolekamer moet een verklikker worden aangebracht die aangeeft wanneer de batterijen die hetzij de elektrische noodkrachtbron, hetzij de tijdelijke elektrische krachtbron bedoeld in paragraaf 3.2 of 4 vormen, worden ontladen.
5.4. Het noodschakelbord dient gedurende normaal bedrijf te worden gevoed vanaf het hoofdschakelbord via een koppelkabel, die in het hoofdschakelbord afdoende moet zijn beveiligd tegen overbelasting en kortsluiting en die automatisch moet worden ontkoppeld op het noodschakelbord wanneer de elektrische hoofdkrachtbron uitvalt. Wanneer het systeem is ingericht voor terugvoeding moet de koppelkabel tevens in het noodschakelbord ten minste tegen kortsluiting zijn beveiligd.
5.5. Ten einde te verzekeren dat de noodkrachtbron onmiddellijk beschikbaar is, dienen voorzieningen te worden aangebracht om waar nodig, de stroomkringen die niet voor noodgevallen zijn bestemd, automatisch van het noodschakelbord af te schakelen, ten einde zeker te stellen dat er automatisch elektrisch vermogen beschikbaar is voor de noodstroomkringen.
6. De noodgenerator en zijn aandrijfwerktuig en elke noodaccumulatorenbatterij dienen zodanig te zijn ontworpen en ingericht dat wordt verzekerd dat zij op vol vermogen zullen functioneren bij rechtliggend schip en bij slagzij tot 22,5 graad of kop- of stuurlast tot 10 graden of bij enige combinatie van de hellingshoeken binnen deze grenzen.
7. Voorzieningen moeten zijn aangebracht voor het periodiek beproeven van de gehele noodinstallatie, waaronder begrepen het testen van de automatische startinrichting.