Art. 42-1 SOLAS, Extra noodverlichting voor ro/ro-passagiersschepen
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
(Dit voorschrift is van toepassing op alle passagiersschepen met ro/ro-laadruimten of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in voorschrift II-2/3, met dien verstande dat dit voorschrift uiterlijk 22 oktober 1990 van toepassing is op schepen gebouwd vóór 22 oktober 1989).
Behalve de noodverlichting vereist krachtens voorschrift 42.2 op elk passagiersschip met ro/ro-laadruimten of ruimten van bijzondere aard zoals omschreven in voorschrift II-2/3:
.1 dienen alle passagiersruimten voor algemeen gebruik en alle gangen te zijn voorzien van extra noodverlichting die ten minste drie uur kan branden wanneer alle andere elektrische krachtbronnen zijn uitgevallen en ongeacht de mate van slagzij. De verlichting moet zodanig zijn dat de toegang tot de reddingmiddelen goed zichtbaar is. De krachtbron voor de extra verlichting dient te bestaan uit accumulatorbatterijen geplaatst binnen de verlichtingseenheden die, wanneer uitvoerbaar, voortdurend worden geladen vanaf het noodschakelbord. In plaats daarvan kan elke andere wijze van verlichting die ten minste even doeltreffend is door de Administratie worden aanvaard. De extra verlichting moet zodanig zijn dat het uitvallen van de lamp onmiddellijk blijkt. De accumulatorbatterijen moeten met geregelde tussenpozen worden vervangen met inachtneming van de aangegeven gebruiksduur onder de omgevingsvoorwaarden waaraan zij in het gebruik zijn onderworpen; en
.2 dient een op een oplaadbare batterij werkende draagbare lamp voorhanden te zijn in elke gang van de ruimten voor de bemanning, ruimte voor recreatie en in elke werkruimte die gewoonlijk bezet is, tenzij extra noodverlichting zoals is vereist onder .1 is aangebracht.