Art. 41 SOLAS, Elektrische hoofdkrachtbron en verlichtingsinstallaties

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)

1.1. Er moet een elektrische hoofdkrachtbron aanwezig zijn van voldoende vermogen om alle diensten genoemd in Voorschrift 40.1.1 te voeden. Deze hoofdkrachtbron moet ten minste bestaan uit twee generatoraggregaten.

1.2. Het vermogen van deze generatoraggregaten moet zodanig zijn dat, als een van de generatoraggregaten stopt, het nog mogelijk zal zijn de diensten die noodzakelijk zijn voor de normale bedrijfsvoering met betrekking tot de voortstuwing en de veiligheid te voeden. Eveneens moeten minimum omstandigheden van leefbaarheid zijn verzekerd die ten minste voldoende diensten voor koken, verwarming, proviand-koeIing, mechanische ventilatie, en voorzieningen voor drinkwater en water voor sanitaire doeleinden omvatten.

1.3. De elektrische hoofdkrachtbron van het schip moet zodanig zijn ingericht dat de diensten genoemd in Voorschrift 40.1.1 kunnen worden gehandhaafd ongeacht het toerental en de draairichting van het voortstuwingswerktuig of de schroefas.

1.4. Bovendien moeten de generatoraggregaten zodanig zijn uitgevoerd dat, indien één van de generatoren of de krachtbron hiervan buiten bedrijf is, de overige generatoraggregaten in staat zijn de elektriciteitsvoorziening te handhaven voor de diensten die nodig zijn voor het aanzetten van de voortstuwingsinstallatie vanuit een dood-schip-situatie. De elektrische noodkrachtbron mag worden gebruikt voor het aanzetten vanuit dood-schip-situatie, indien haar vermogen alleen of in combinatie met dat van een andere elektrische krachtbron, voldoende is om te gelijker tijd te voorzien in de elektrische energie voor de diensten vereist krachtens Voorschrift 42.2.1 tot 42.2.3 of 43.2.1 tot 43.2.4.

1.5. Indien transformatoren een essentieel onderdeel vormen van de volgens deze paragraaf vereiste stroomvoorziening, moet deze voorziening zodanig zijn ingericht dat dezelfde continuïteit van de stroomvoorziening als bepaald in deze paragraaf, verzekerd is.

2.1. Een elektrische hoofdverlichtingsinstallatie, die moet voorzien in de verlichting van alle delen van het schip die normaal toegankelijk zijn voor en worden gebruikt door passagiers of bemanning, moet door de elektrische hoofdkrachtbron worden gevoed.

2.2. De hoofdverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat door brand of een ander ongeval in de ruimten waar de elektrische hoofdkrachtbron, de eventuele daarbij behorende transformatoren, het hoofdschakelbord en het hoofdverlichtingsschakelbord is opgesteld, niet de noodverlichtingsinstallatie als vereist in Voorschrift 42.2.1 en 42.2.2 of 43.2.1 en 43.2.2 en 43.2.3, buiten werking wordt gesteld.

2.3. De noodverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat door brand of een ander ongeval in de ruimten waar de elektrische noodkrachtbron, de eventuele daarbij behorende transformatoren, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord is opgesteld, niet de hoofdverlichtingsinstallatie als vereist in dit Voorschrift, buiten werking wordt gesteld.

3. Het hoofdschakelbord moet ten opzichte van één hoofdgeneratorstation zo zijn opgesteld dat, voorzover uitvoerbaar, de continuïteit van de normale stroomvoorziening alleen kan worden aangetast door brand of een ander ongeval in één ruimte. Een afgescheiden ruimte voor het hoofdschakelbord, zoals kan zijn voorzien in een machinecontrolekamer binnen de hoofdbegrenzing van de voortstuwingsruimte, wordt niet beschouwd als afscheiding tussen de schakelborden en de generatoren.

4. Waar het totaal geïnstalleerd elektrisch vermogen van de hoofdgeneratoraggregaten groter is dan 3 Megawatt, moet het hoofdrailsysteem zijn onderverdeeld in ten minste twee delen die normaal met elkaar moeten zijn verbonden door middel van wegneembare verbindingsstukken of andere goedgekeurde middelen; de aansluitingen van de generatoraggregaten en elke andere dubbel uitgevoerde uitrusting moeten, voor zover uitvoerbaar, gelijkelijk over de delen zijn verdeeld. Gelijkwaardige voorzieningen kunnen worden toegestaan ten genoegen van de Administratie.

5. Schepen gebouwd op of na 1 juli 1998:

.1 moeten in aanvulling op de paragrafen 1 tot en met 3, voldoen aan de volgende eisen:

.1.1 indien de elektrische hoofdkrachtbron nodig is voor de voortstuwing en besturing van het schip, moet het systeem zodanig zijn geplaatst en ingericht dat de stroomvoorziening voor de uitrusting die nodig is voor de voortstuwing, besturing en de veiligheid van het schip wordt gehandhaafd of onmiddellijk hersteld, indien een van de in bedrijf zijnde generatoren uitvalt;

.1.2 inrichtingen om de belasting te verlagen of gelijkwaardige voorzieningen moeten aanwezig zijn om de door dit voorschrift vereiste generatoren te beschermen tegen langdurige overbelasting;

.1.3 waar de elektrische hoofdkrachtbron nodig is voor de voortstuwing van het schip, moet het hoofdrailsysteem zijn onderverdeeld in ten minste twee delen die normaal met elkaar moeten zijn verbonden door middel van twee scheidingsschakelaars of andere goedgekeurde middelen; de aansluitingen van de generatoraggregaten en andere dubbel uitgevoerde uitrustingen moeten, voor zover uitvoerbaar, gelijkelijk over de delen zijn verdeeld; en

.2 hoeven niet te voldoen aan paragraaf 4.

6. Op passagiersschepen gebouwd op of na 1 juli 2010 moet in alle hutten aanvullende verlichting worden aangebracht om duidelijk de uitgang aan te duiden, zodat de gebruikers hun weg naar de deur kunnen vinden. Dergelijke verlichting, die op een noodstroomvoorziening mag zijn aangesloten of in elke hut een onafhankelijk werkende stroomvoorziening mag hebben, moet automatisch inschakelen wanneer de reguliere hutverlichting uitvalt, en gedurende ten minste 30 minuten aanblijven.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen