Art. 22 SOLAS, Zicht vanaf de navigatiebrug

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)

1. Schepen met een lengte, zoals omschreven in voorschrift 2.4, van niet minder dan 55 m lengte gebouwd op of na 1 juli 1998, moeten aan de volgende vereisten voldoen:

.1 Vanaf het punt waar het schip wordt bestuurd mag het zicht over het zee-oppervlak voor de boeg binnen een hoek van 10° aan beide zijden, ongeacht de diepgang, trim of deklading, niet worden gehinderd over meer dan twee scheepslengtes, of 500 m, naar gelang welke afstand het kleinst is;

.2 Geen van de door lading, hefwerktuigen of andere obstakels buiten het stuurhuis veroorzaakte dode hoeken die voorlijker dan dwars het zicht op het zee-oppervlak vanaf het punt waar het schip wordt bestuurd ontnemen, mogen groter zijn dan 10°. De gezamenlijke dode hoeken mogen samen niet meer dan 20° bedragen. De hoek met vrij zicht tussen de dode hoeken in moet ten minste 5° zijn. Voor het zicht genoemd onder .1 geldt echter dat elke afzonderlijke dode hoek niet groter mag zijn dan 5°;

.3 Het horizontale gezichtsveld vanaf het punt waar het schip wordt bestuurd moet zich uitstrekken over een boog van ten minste 225°, die zich uitstrekt van recht vooruit tot ten minste 22,5° achterlijker dan dwars aan beide zijden van het schip;

.4 Het horizontale gezichtsveld vanaf elke brugvleugel moet zich uitstrekken over een boog van ten minste 225°, die loopt van ten minste 45° ten opzichte van de lengte-as van het schip aan de tegengestelde zijde naar recht vooruit, en van recht vooruit over 180° naar recht achteruit aan dezelfde zijde;

.5 Het horizontale gezichtsveld vanaf de belangrijkste stuurpositie moet zich uitstrekken over een boog van ten minste 60° aan weerszijden van de lengte-as van het schip;

.6 De zijkant van het schip moet vanaf de brugvleugel zichtbaar zijn;

.7 De hoogte van de onderste rand van de voorramen van de navigatiebrug moet zo laag mogelijk boven het brugdek worden gehouden. In geen geval mag de onderste rand een obstakel vormen voor het voorwaartse zicht zoals in dit voorschrift omschreven;

.8 De bovenste rand van de voorramen van de navigatiebrug mag, wanneer het schip in ruwe zee stampt, vanaf de plaats waar het schip wordt bestuurd aan een persoon wiens ogen zich op 1800 mm boven het brugdek bevinden, niet het zicht op de horizon ontnemen. Indien de Administratie een ooghoogte van 1800 mm onredelijk en onpraktisch acht, kan zij een verlaging tot uiterlijk 1600 mm toestaan;

.9 De ramen moeten aan de volgende vereisten voldoen:

.9.1 Om weerspiegeling te voorkomen, moeten de voorramen van de brug aan de bovenzijde ten opzichte van het verticale vlak onder een hoek van ten minste 10° en ten hoogste 25° naar buiten worden geplaatst.

.9.2 De afmetingen van de kozijnen van de ramen op de navigatiebrug moeten zo klein mogelijk zijn en deze kozijnen mogen zich niet recht voor enige werkplek bevinden.

.9.3 De beglazing van de ramen mag noch gepolariseerd, noch gekleurd zijn.

.9.4 Ongeacht de weersomstandigheden moet het te allen tijde mogelijk zijn om door ten minste twee voorramen van de navigatiebrug een helder zicht te hebben en voorts moet, afhankelijk van de opstelling van de brug, het zicht door nog een aantal ramen vrij zijn.

2 Schepen gebouwd vóór 1 juli 1998 moeten, waar praktisch uitvoerbaar, voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1.1 en 1.2. Het is echter niet noodzakelijk aanpassingen aan de structuur of aanvullingen op de uitrusting te eisen.

3 Indien de Administratie van oordeel is dat dit voorschrift op bepaalde schepen niet kan worden toegepast vanwege hun ongebruikelijke ontwerp, moeten maatregelen worden getroffen opdat een zicht wordt bereikt dat het in dit voorschrift omschreven niveau zo dicht mogelijk benadert.

4 Onverminderd de vereisten van de paragrafen 1.1, 1.3, 1.4 en 1.5 mag ballastwater worden gewisseld, mits:

.1 de kapitein heeft bepaald dat zulks veilig kan worden gedaan en rekening houdt met een eventuele uit deze handeling voortvloeiende toename van dode hoeken of beperking van het horizontale gezichtsveld, teneinde ervoor te zorgen dat te allen tijde een goed uitzicht wordt behouden;

.2 de handeling wordt verricht in overeenstemming met het ballastwatermanagementplan van het schip, met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen aanbevelingen inzake het wisselen van ballastwater; en

.3 de aanvang en beëindiging van de handeling worden aangetekend in het journaal van navigatieactiviteiten ingevolge voorschrift 28.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen