Art. 26 SOLAS, Stuurinrichting: beproeven en oefeningen
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
1 Binnen 12 uur voor vertrek moet de stuurinrichting van het schip door de bemanning gecontroleerd en beproefd worden. Waar van toepassing, moet de beproevingsprocedure de werking van de volgende onderdelen omvatten:
.1 de hoofdstuurinrichting;
.2 de hulpstuurinrichting;
.3 de afstandsbedieningssystemen;
.4 de bedieningsplaatsen op de navigatiebrug;
.5 de noodstroomvoorziening;
.6 de roerstandaanwijzing ten opzichte van de werkelijke stand van het roer;
.7 de alarmeringen voor het uitvallen van de stroomvoorziening van het afstandbedieningssysteem van de stuurinrichting;
.8 de alarminstallaties voor storingen van de stuurmotor; en
.9 de voorzieningen waarmee een defect gedeelte van de stuurinrichting automatisch buiten bedrijf wordt gesteld.
2 De beproevingen en oefeningen moeten omvatten:
.1 de volledige uitslag van het roer overeenkomstig het vereiste mogelijkheden van de stuurinrichting;
.2 een visuele inspectie van de stuurinrichting en haar verbindingen; en
.3 de werking van de communicatiemiddelen tussen de navigatiebrug en de stuurmachinekamer.
3.1 Eenvoudige gebruiksaanwijzingen met een blokdiagram waarop de overschakelingsprocedures voor de afstandsbedieningssystemen en de stuurmotoren zijn aangegeven, moeten voortdurend op zichtbare plaatsen op de navigatiebrug en in de stuurmachinekamer aanwezig zijn.
3.2 Alle scheepsofficieren die betrokken zijn bij de werking en/of het onderhoud van de stuurinrichting moeten vertrouwd zijn met de werking daarvan en met de procedures voor het overschakelen van het ene systeem op het andere systeem.
4 In aanvulling op de geregelde controles en beproevingen als voorgeschreven in de paragrafen 1 en 2 moeten ten minste eenmaal in de drie maanden oefeningen plaatsvinden in noodsturen, teneinde ervaring op te doen in de noodstuurprocedures. Deze oefeningen moeten de directe bediening vanuit de stuurmachinekamer, de communicatieprocedure met de navigatiebrug en, waar van toepassing, de werking van de extra stroomvoorzieningen omvatten.
5 Voor schepen die regelmatig reizen van korte duur maken kan de Administratie afzien van de eis om de controle en beproevingen te houden als voorgeschreven in de paragrafen 1 en 2. Aan boord van zulke schepen moeten deze controles en beproevingen ten minste eenmaal per week worden gehouden.
6 De datum waarop de controles en beproevingen voorgeschreven in de paragrafen 1 en 2 zijn uitgevoerd en de datum en bijzonderheden van de oefeningen met de noodstuurinrichting voorgeschreven in paragraaf 4, moeten worden geregistreerd.