Art. 23 SOLAS, Voorzieningen voor het overnemen van de loods

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)

1. Toepassing

1.1 Op schepen die reizen maken waarbij gebruik kan worden gemaakt van loodsen, moeten voorzieningen voor het overnemen van de loods zijn aangebracht.

1.2 Uitrusting en voorzieningen voor het overnemen van de loods die worden aangebracht op of na 1 juli 2012 moeten voldoen aan de vereisten van dit voorschrift, en er moet naar behoren rekening worden gehouden met de door de Organisatie aangenomen normen.

1.3 Behoudens waar anders wordt bepaald moeten uitrusting en voorzieningen voor het overnemen van de loods die op schepen worden aangebracht vóór 1 juli 2012 ten minste voldoen aan de vereisten van voorschrift 17 of 23, al naargelang van toepassing, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals van kracht tot die datum, en er moet naar behoren rekening worden gehouden met de voorafgaand aan die datum door de Organisatie aangenomen normen.

1.4 Uitrusting en voorzieningen die op of na 1 juli 2012 worden aangebracht en een vervanging zijn van uitrusting en voorzieningen die vóór 1 juli 2012 op schepen zijn aangebracht, moeten, voor zover redelijk en uitvoerbaar, voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.

1.5 Paragraaf 5 is uiterlijk bij het eerste onderzoek op of na 1 juli 2012 van toepassing op schepen gebouwd vóór 1 januari 1994.

1.6 Paragraaf 6 is op alle schepen van toepassing.

2. Algemeen

2.1 Alle voorzieningen voor het overnemen van de loods moeten loodsen op doelmatige wijze in staat stellen veilig aan en van boord te gaan. De voorzieningen moeten worden schoongehouden, op de juiste wijze worden onderhouden en geborgen, en geregeld worden geïnspecteerd om te verzekeren dat ze veilig zijn in het gebruik. Ze mogen uitsluitend worden gebruikt voor het aan en van boord gaan van personeel.

2.2 Het optuigen van de voorzieningen voor het overnemen van de loods en het aan boord gaan van de loods moeten geschieden onder toezicht van een verantwoordelijk officier die beschikt over middelen voor communicatie met de navigatiebrug, en die ook regelingen treft voor de begeleiding van de loods langs een veilige route naar en van de navigatiebrug. Personeel dat zich bezighoudt met het optuigen en de bediening van mechanische uitrusting moet worden geïnstrueerd in de te hanteren veilige procedures, en de uitrusting moet voor gebruik worden getest.

2.3 Een loodsladder moet door de producent worden gecertificeerd als zijnde in overeenstemming met dit voorschrift of met een internationale norm die voor de Organisatie aanvaardbaar is. Ladders moeten worden geïnspecteerd in overeenstemming met de voorschriften I/6, 7 en 8.

2.4 Alle loodsladders die worden gebruikt voor het overnemen van loodsen moeten duidelijk worden gemarkeerd met labels of een andere permanente markering zodat elke loodsladder herkenbaar is ten behoeve van onderzoek, inspectie en registratie. Op het schip moet een journaal aanwezig zijn waarin melding wordt gemaakt van de datum waarop de desbetreffende ladder in gebruik is genomen alsmede eventuele uitgevoerde reparaties.

2.5 Wanneer in dit voorschrift naar een valreep wordt verwezen wordt hierbij tevens een hellende ladder bedoeld die gebruikt wordt als onderdeel van de voorzieningen voor het overnemen van de loods.

3. Voorzieningen voor het overnemen

3.1 Er moeten voorzieningen zijn opdat de loods op veilige wijze aan en van boord kan gaan aan beide zijden van het schip.

3.2 Op alle schepen waar de afstand van het wateroppervlak tot de plaats voor het aan of van boord gaan meer dan 9 m bedraagt, en waar loodsen worden geacht aan en van boord te gaan met behulp van de valreep of andere, even veilige en gemakkelijke middelen in combinatie met een loodsladder, moet het schip aan beide zijden van die uitrusting zijn voorzien, tenzij de uitrusting verplaatsbaar is voor gebruik aan beide zijden.

3.3 Voor het veilig en gemakkelijk aan en van boord gaan moet het schip zijn uitgerust met:

.1 een loodsladder die een klim vereist van ten minste 1,5 m en ten hoogste 9 m boven het wateroppervlak, die zodanig is geplaatst en vastgezet dat:

.1 deze vrijhangt van mogelijke spuipijpen van het schip;

.2 deze evenwijdig aan het vlak van kiel en stevens en, voor zover uitvoerbaar, binnen een kwart scheepslengte vanuit de midscheeps hangt;

.3 iedere trede stevig tegen de scheepshuid rust; indien speciale constructies, zoals bijvoorbeeld berghouten, de toepassing van deze bepaling verhinderen, moeten speciale regelingen worden getroffen ten genoegen van de Administratie teneinde te waarborgen dat personen veilig aan en van boord kunnen gaan;

.4 met de enkele ladderlengte het water kan worden bereikt vanaf de plaats voor het aan of van boord gaan, en hierbij rekening wordt gehouden met alle beladingstoestanden van het schip, met kop- of stuurlast en met een slagzij naar de andere zijde van 15°; de bevestigingspunten, sluitingen en sjordraden moeten ten minste even sterk zijn als de zijgeleiders; of

.2 een valreep in combinatie met de loodsladder (d.w.z. een gecombineerde voorziening), of een andere even veilige en gemakkelijke voorziening, wanneer de afstand van het wateroppervlak tot de plaats voor het aan boord gaan meer dan 9 m bedraagt. De valreep moet zodanig zijn geplaatst dat deze naar de achtersteven leidt. Wanneer de valreep gebruikt wordt, moeten er middelen worden aangebracht om het onderste platform van de valreep tegen de scheepshuid vast te zetten, teneinde te waarborgen dat het onderste gedeelte van de valreep en het onderste platform stevig tegen de scheepshuid worden gehouden, evenwijdig aan het vlak van kiel en stevens en, voor zover uitvoerbaar, binnen een kwart scheepslengte vanuit de midscheeps en vrij van alle spuipijpen.

.1 wanneer gebruik wordt gemaakt van een gecombineerde voorziening om de loods toegang te geven, moeten er middelen worden aangebracht om de loodsladder en de handgeleidende touwen tegen de scheepshuid vast te zetten op een hoogte van in principe 1,5 m boven het onderste platform van de valreep. In geval van een gecombineerde voorziening waarbij gebruik wordt gemaakt van een valreep met een luik in het onderste platform (d.w.z. een inschepingsplatform) worden de loodsladder en de handgeleidende touwen door het luik opgetuigd naar de hoogte van de leuning boven het platform.

4. Toegang tot het scheepsdek Er moeten voorzieningen aanwezig zijn om personen die aan of van boord gaan in staat te stellen veilig, gemakkelijk en ongehinderd over te stappen van het boveneinde van de loodsladder of van een valreep of ander middel naar het scheepsdek. Indien dit overstappen geschiedt door middel van:

.1 een opening in het hekwerk of verschansing, moeten toereikende handgrepen zijn aangebracht;

.2 een verschansingstrap, moeten twee rechtopstaande houvasten, die aan of nabij hun onderzijden alsmede op hoger gelegen punten stevig zijn bevestigd aan het schip. De verschansingstrap moet stevig aan het schip zijn bevestigd om omslaan te voorkomen.

5. Deuren in de scheepszijde Deuren in de scheepszijde die worden gebruikt voor het overnemen van de loods mogen niet naar buiten openen.

6. Mechanische loodsladders Er mag geen gebruik worden gemaakt van mechanische loodsladders.

7. Bijbehorende uitrusting

7.1 De volgende bijbehorende uitrusting moet bij de hand worden gehouden, klaar voor onmiddellijk gebruik bij het overstappen van personen:

.1 twee handgeleidende touwen met een diameter van ten minste 28 mm en ten hoogste 32 mm, goed bevestigd aan het schip, indien de loods deze verlangt; handgeleidende touwen moeten aan het uiteinde bevestigd worden aan de ringplaat die op het dek bevestigd is en moeten gereed zijn voor gebruik wanneer de loods van boord gaat of op verzoek van de loods die aan boord wil gaan (de handgeleidende touwen moeten op de plaats voor het aan dek gaan tot de hoogte van de houvasten of de verschansingen reiken en vervolgens eindigen bij de ringplaat op het dek);

.2 een reddingboei voorzien van een zelfontbrandend licht;

.3 een hieuwlijn.

7.2 Indien vereist ingevolge paragraaf 4 moeten houvasten en verschansingstrappen aanwezig zijn.

8. Verlichting Er moet toereikende verlichting zijn om de overneemvoorzieningen buitenboord en de plaats aan dek waar een persoon aan of van boord gaat te verlichten.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen