Art. 19 SOLAS, Vereisten ten aanzien van navigatiesystemen en -apparatuur aan boord van schepen
Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS)
1 Toepassing en vereisten Onverminderd de bepalingen van voorschrift 1.4:
1.1 Moeten schepen gebouwd op of na 1 juli 2002 zijn uitgerust met navigatiesystemen en -apparatuur die voldoen aan de in de paragrafen 2.1 tot en met 2.9 vervatte vereisten.
1.2 Schepen gebouwd vóór 1 juli 2002 moeten:
.1 onverminderd de bepalingen van paragraaf 1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4, tenzij zij volledig aan dit voorschrift voldoen, zijn uitgerust met apparatuur die voldoet aan de vereisten vervat in de voorschriften V/11, V/12 en V/20 van het Internationaal Verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, die vóór 1 juli 2002 van kracht waren;
.2 uiterlijk bij de eerste inspectie na 1 juli 2002 zijn uitgerust met de in paragraaf 2.1.6 vereiste apparatuur of systemen, wanneer de radiorichtingzoeker bedoeld in V/12 (p) van het Internationaal Verdrag inzake de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, als van kracht vóór 1 juli 2002, niet langer vereist is;
.3 uiterlijk op de in paragraaf 2.4.2 en 2.4.3 genoemde data zijn uitgerust met het in paragraaf 2.4 vereiste systeem; en
.4 op de volgende wijze worden uitgerust met het in paragraaf 2.2.3 vereiste systeem:
.1 passagiersschepen, ongeacht hun omvang, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 januari 2016;
.2 vrachtschepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 januari 2016;
.3 vrachtschepen met een brutotonnage van 500 ton of meer maar minder dan 3000 ton, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 januari 2017; en
.4 vrachtschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer maar minder dan 500 ton, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 januari 2018. Het brugwachtalarmsysteem moet te allen tijde in bedrijf zijn terwijl het schip onderweg is op zee. De bepalingen van paragraaf 2.2.4 zijn ook van toepassing op schepen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd.
1.3 Administraties mogen schepen van de toepassing van de in paragraaf 1.2.4 vervatte eis vrijstellen, wanneer deze schepen binnen twee jaar na de in de subparagrafen 1.2.4.1 tot en met 1.2.4.4 bedoelde uitvoeringsdatum voorgoed uit de vaart zullen worden genomen.
2 Navigatiesystemen en -apparatuur aan boord
2.1 Alle schepen, ongeacht hun omvang, moeten zijn uitgerust met:
.1 een juist gecompenseerd standaard magnetisch kompas, of andere voorziening, onafhankelijk van enige krachtbron, om de koers van het schip te bepalen en de resultaten hiervan op de stuurpositie weer te geven;
.2 een pelorus of peilkompas, of andere voorziening, onafhankelijk van enige krachtbron, om peilingen te kunnen nemen over een boog van de horizon van 360°;
.3 voorzieningen om koersen en peilingen te allen tijde tot de juiste waarde te corrigeren;
.4 zeevaartkundige kaarten en zeevaartkundige publicaties om de route van het schip voor de voorgenomen reis te plannen en weer te geven, alsmede posities gedurende de reis te plotten en te monitoren. Een weergave- en informatiesysteem voor elektronische zeekaarten (ECDIS) dat voldoet aan de vereisten van deze subparagraaf inzake het aan boord hebben van kaarten wordt eveneens geaccepteerd. Schepen waarop paragraaf 2.10 van toepassing is moeten voldoen aan de daarin vervatte vervoersvereisten voor ECDIS;
.5 back-up voorzieningen om aan de functionele vereisten van subparagraaf .4 te voldoen, indien deze functie geheel of gedeeltelijk door elektronische apparatuur wordt vervuld;
.6 een ontvanger voor een wereldwijd navigatiesatellietsysteem of een radionavigatiesysteem te land, of andere voorziening, geschikt om te allen tijde gedurende de voorgenomen reis te kunnen worden gebruikt voor het automatisch bepalen en bijhouden van de positie van het schip;
.7 schepen met een brutotonnage van minder dan 150 ton, indien uitvoerbaar, een radarreflector, of andere voorziening, om detectie mogelijk te maken door schepen die op radar varen, op zowel 9 als 3 GHz;
.8 wanneer de brug volledig omsloten is en tenzij de Administratie anders bepaalt, een geluidsontvangstsysteem, of andere voorziening, zodat de met de navigatie belaste officier geluidssignalen kan horen en kan vaststellen waar deze vandaan komen;
.9 een telefoon, of andere voorziening, om koersinformatie naar de noodstuurpositie door te geven, indien aanwezig.
2.2 Alle schepen met een brutotonnage van 150 ton of meer en passagiersschepen, ongeacht hun omvang, moeten in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.1 zijn uitgerust met:
.1 een magnetisch reservekompas dat kan worden uitgewisseld met het in paragraaf 2.1.1 bedoelde magnetisch kompas, of andere voorziening, om de in paragraaf 2.1.1 bedoelde functie te vervullen door middel van vervangende of dubbele apparatuur;
.2 een dagseinlamp, of andere voorziening om, met licht overdag en ’s nachts met gebruikmaking van een elektrische krachtbron die niet uitsluitend afhankelijk is van de scheepsstroomvoorziening, te communiceren.
.3 een brugwachtalarmsysteem (BNWAS), als volgt: Het brugwachtalarmsysteem moet te allen tijde in bedrijf zijn als het schip op zee vaart.
.1. vrachtschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer en passagiersschepen, ongeacht hun omvang, gebouwd op of na 1 juli 2011;
.2. passagiersschepen, ongeacht hun omvang, gebouwd voor 1 juli 2011, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoekna 1 juli 2012;
.3. vrachtschepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, gebouwd voor 1 juli 2011, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 juli 2012;
.4. vrachtschepen met een brutotonnage van 500 ton of meer maar minder dan 3000 ton, gebouwd voor 1 juli 2011, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 juli 2013; en
.5. vrachtschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer maar minder dan 500 ton, gebouwd voor 1 juli 2011, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek na 1 juli 2014.
.4. een brugwachtalarmsysteem (BNWAS) dat voor 1 juli 2011 is geïnstalleerd kan daarna worden uitgezonderd van volledige overeenstemming met de standaarden die door de Organisatie zijn aangenomen, zulks ter beoordeling door de Administratie.
2.3 Alle schepen met een brutotonnage van 300 ton of meer en passagiersschepen, ongeacht hun omvang, moeten in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.2 zijn uitgerust met:
.1 een echolood, of andere elektronische voorziening, om de aanwezige diepte van het water te meten en weer te geven;
.2 een 9 GHz radar, of andere voorziening, om de afstand en koers van radartransponders en van andere schepen, obstakels, boeien, kustlijnen en navigatiemarkeringen te bepalen en weer te geven, als hulp bij de navigatie en ter voorkoming van aanvaringen;
.3 een elektronisch plotapparaat, of andere voorziening, om elektronisch de afstand en koers te plotten van objecten om de kans op aanvaring vast te stellen;
.4 een instrument voor het meten van snelheid en afstand, of andere voorziening, om de door het water afgelegde snelheid en afstand te meten;
.5 goed afgestelde koersinformatie-apparatuur (THD), of andere voorziening, om koersinformatie te verzenden naar de in de paragrafen 2.3.2, 2.3.3 en 2.4 bedoelde apparatuur.
2.4 Alle schepen met een brutotonnage van 300 ton of meer, op internationale reizen, en vrachtschepen met een brutotonnage van 500 ton of meer, niet op internationale reizen, en passagiersschepen, ongeacht hun omvang, moeten als volgt zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (AIS):
.1 schepen gebouwd op of na 1 juli 2002;
.2 schepen gebouwd vóór 1 juli 2002, op internationale reizen:
.2.1 passagiersschepen, uiterlijk 1 juli 2003;
.2.2 tankschepen, uiterlijk bij het eerste veiligheidsonderzoek op of na 1 juli 2003;
.2.3 schepen, anders dan passagiersschepen en tankschepen, met een brutotonnage van 50.000 ton of meer, uiterlijk 1 juli 2004;
.2.4 in het geval van schepen niet zijnde passagiersschepen en tankschepen met een bruto-tonnage van 300 of meer maar minder dan 50.000, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek van de veiligheidsuitrusting1) na 1 juli 2004 of voor 31 december 2004, naar gelang van wat zich het eerste voordoet; en
.3 schepen gebouwd vóór 1 juli 2002 die geen internationale reizen maken, uiterlijk 1 juli 2008;
.4 De Administratie kan schepen van de in deze paragraaf vervatte eisen vrijstellen, wanneer deze schepen binnen twee jaar na de in de subparagrafen .2 en .3 bedoelde uitvoeringsdatum voorgoed uit de vaart zullen worden genomen;
.5 het AIS-systeem moet:
.1 automatisch aan daarvoor geëquipeerde walstations, andere schepen en vliegtuigen gegevens verzenden, waaronder de identiteit van het schip, het type schip, de positie, de koers, snelheid, navigatiesituatie en andere gegevens met betrekking tot de veiligheid;
.2 automatisch gegevens ontvangen van andere schepen die een AIS-systeem gebruiken;
.3 schepen monitoren en volgen; en
.4 gegevens uitwisselen met voorzieningen aan wal;
.6 de vereisten van paragraaf 2.4.5 worden niet toegepast in gevallen waarin internationale overeenkomsten, regels of normen zorgen voor de beveiliging van navigatiegegevens; en
.7 AIS-systemen moeten worden gebruikt met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtlijnen. Op schepen uitgerust met AIS blijft AIS te allen tijde in werking, tenzij internationale overeenkomsten, regels of normen voorzien in de bescherming van navigatiegegevens.
2.5 Alle schepen met een brutotonnage van 500 ton of meer moeten in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.3, met uitzondering van de paragrafen 2.3.3 en 2.3.5, en de vereisten van paragraaf 2.4 zijn uitgerust met:
.1 een gyrokompas of andere voorziening om de koers te bepalen en af te kunnen lezen door middel van niet-magnetische voorzieningen aan boord van schepen, die door de roerganger op de hoofdstuurpositie duidelijk afleesbaar zijn. Deze middelen moeten tevens koersinformatie verzenden naar de in de paragrafen 2.3.2, 2.4 en 2.5.5 bedoelde apparatuur;
.2 een gyrokompas koers-repeater, of andere voorziening, om koersinformatie zichtbaar te maken op de noodstuurpositie, indien aanwezig;
.3 een gyrokompas koers-repeater, of andere voorziening om peilingen te kunnen nemen over een boog van de horizon van 360°, met gebruikmaking van het gyrokompas of andere in subparagraaf .1 bedoelde voorziening. Schepen met een brutotonnage van minder dan 1600 ton moeten echter zoveel mogelijk met deze voorzieningen zijn uitgerust voor zover mogelijk;
.4 roerstandaanwijzers, schroeftachometers, stuwkrachtmeters en spoedmeters en meters die de operationele modus aangeven, of andere voorzieningen voor het bepalen en tonen van de roerstand, schroefomwentelingen, stuwkracht en –richting en, indien van toepassing, de kracht en richting van de zijdelingse stuwkracht en de spoed en operationele modus, die alle vanuit de stuurpositie moeten kunnen worden afgelezen; en
.5 een automatisch trackinghulpmiddel, of andere voorziening, om automatisch de afstand en koers te plotten van andere objecten om de kans op aanvaring vast te stellen.
2.6 Op alle schepen met een brutotonnage van 500 ton of meer mag het uitvallen van één instrument niet tot gevolg hebben dat het schip niet meer zou kunnen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.4.
2.7 Alle schepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer moeten, in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.5, zijn uitgerust met:
.1 een 3 GHz radar, of indien de Administratie zulks passend acht, een tweede 9 GHz radar, of andere voorziening, om de afstand en koers van andere schepen, obstakels, boeien, kustlijnen en navigatiemarkeringen te bepalen en weer te geven, als hulp bij de navigatie en ter voorkoming van aanvaringen, die qua functie onafhankelijk is van de in paragraaf 2.3.2 bedoelde instrumenten; en
.2 een tweede automatisch trackinghulpmiddel, of andere voorziening, om automatisch de afstand en koers te plotten van andere objecten om de kans op aanvaring vast te stellen, die qua functie onafhankelijk is van de in paragraaf 2.5.5 bedoelde instrumenten.
2.8 Alle schepen met een brutotonnage van 10.000 ton of meer moeten, in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.7, met uitzondering van paragraaf 2.7.2, zijn uitgerust met:
.1 een automatische radar plotapparaat (ARPA), of andere voorziening, om automatisch de afstand en koers van ten minste 20 andere objecten te plotten, aangesloten op een instrument om de snelheid en afstand door het water te meten, om de kans op aanvaring vast te stellen en een uitwijkmanoeuvre te simuleren; en
.2 een koers- of tracking-controlesysteem, of andere voorziening, om automatisch een koers en/of rechte lijn aan te houden en te controleren.
2.9 Alle schepen met een brutotonnage van 50.000 ton of meer moeten, in aanvulling op de vereisten van paragraaf 2.8, zijn uitgerust met:
.1 een bochtaanwijzer, of andere voorziening, om de draaisnelheid vast te stellen en weer te geven; en
.2 een instrument voor het meten van de snelheid en afstand, of andere voorziening, om de snelheid over de grond in voorwaartse en zijwaartse richting aan te geven.
2.10. Schepen die internationale reizen maken moeten als volgt worden uitgerust met een weergave- en informatiesysteem voor elektronische zeekaarten (ECDIS):
.1. passagiersschepen met een brutotonnage van 500 ton of meer, gebouwd op of na 1 juli 2012;
.2. tankschepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, gebouwd op of na 1 juli 2012;
.3. vrachtschepen, anders dan tankschepen, met een brutotonnage van 10.000 ton of meer gebouwd op of na 1 juli 2013;
.4. vrachtschepen, anders dan tankschepen, met een brutotonnage van 3000 ton of meer maar minder dan 10.000 ton, gebouwd op of na 1 juli 2014;
.5. passagiersschepen met een brutotonnage van 500 ton of meer, gebouwd voor 1 juli 2012, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek op of na 1 juli 2014;
.6. tankschepen met een brutotonnage van 3000 ton of meer, gebouwd voor 1 juli 2012, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek op of na 1 juli 2015;
.7. vrachtschepen, anders dan tankschepen, met een brutotonnage van 50.000 ton of meer, gebouwd voor 1 juli 2013, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek op of na 1 juli 2016;
.8. vrachtschepen, anders dan tankschepen, met een brutotonnage van 20.000 ton of meer, maar minder dan 50.000 ton, gebouwd voor 1 juli 2013, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek op of na 1 juli 2017; en
.9. vrachtschepen, anders dan tankschepen, met een brutotonnage van 10.000 ton of meer, maar minder dan 20.000 ton, gebouwd voor 1 juli 2013, uiterlijk op de datum van het eerste onderzoek op of na 1 juli 2018.
2.11. Administraties kunnen schepen van de toepassing van de in paragraaf 2.10 vervatte eisen vrijstellen, wanneer deze schepen binnen twee jaar na de in de subparagrafen .5 tot en met .9 van paragraaf 2.10 bedoelde uitvoeringsdatum voorgoed uit de vaart zullen worden genomen.
2.12 Containerschepen en bulkcarriers met een brutotonnage van 3000 ton en meer gebouwd op of na 1 januari 2026 worden uitgerust met een elektronische inclinometer, of andere middelen, om de rolbeweging van het schip vast te stellen, af te beelden en vast te leggen.
3 Wanneer ingevolge dit voorschrift „andere voorzieningen” zijn toegestaan, moeten deze voorzieningen door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 18 worden goedgekeurd.
4 De in dit voorschrift bedoelde navigatie-apparatuur en -systemen moeten zodanig worden geïnstalleerd, beproefd en onderhouden dat storingen tot een minimum worden beperkt.
5 Bij alternatieve navigatie-apparatuur en -systemen moet de actuele gebruiksmodus worden weergegeven.
6 Geïntegreerde brugsystemen moeten zodanig zijn ingericht dat het uitvallen van een enkel subsysteem onmiddellijk door middel van hoorbare en zichtbare alarmen onder de aandacht van de met de navigatie belaste officier wordt gebracht, en dat hierdoor geen enkel ander subsysteem uitvalt. In geval van uitval van een onderdeel van een geïntegreerd navigatiesysteem moet het mogelijk zijn elk ander individueel instrument of onderdeel van het systeem apart te bedienen.