Art. 7 Besluit kwaliteit kinderopvang, Aantal beroepskrachten
Besluit kwaliteit kinderopvang
1. Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op een stamgroep wordt afgestemd op het aantal aanwezige kinderen in de stamgroep, waarbij naarmate de kinderen ouder zijn, minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet.
2. De verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een stamgroep wordt bepaald op grond van tabel 1 in bijlage 1, onderdeel a, bij dit besluit en de daarbij behorende rekenregels. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.
3. Indien kinderen bij een activiteit als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b, de stamgroep verlaten, leidt dit niet tot een verlaging van het totaal aantal minimaal op of, indien de activiteit buiten het kindercentrum plaatsvindt, vanuit het kindercentrum in te zetten beroepskrachten ten opzichte van de situatie direct voorafgaand aan de activiteit.
4. Indien bij dagopvang per dag ten minste tien aaneengesloten uren opvang wordt geboden, kunnen, in afwijking van het tweede lid, met inachtneming van de kaders, bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, voor ten hoogste drie uren per dag minder beroepskrachten worden ingezet, met dien verstande dat gedurende de uren dat minder beroepskrachten worden ingezet ten minste de helft van het aantal beroepskrachten, vereist op grond van het tweede lid, wordt ingezet.
5. Indien op grond van het tweede lid slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, is tevens een volwassene beschikbaar die telefonisch bereikbaar is en die binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kan zijn in geval van een calamiteit. De houder informeert de bij het kindercentrum werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.
6. Indien op grond van het vierde lid slechts één beroepskracht op het kindercentrum wordt ingezet, is ter ondersteuning van deze beroepskracht ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.
7. Indien een stamgroep wordt gecombineerd met een basisgroep wordt de verhouding tussen het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in de gecombineerde groep bepaald op grond van bijlage 1, onderdeel c, bij dit besluit. Onze Minister stelt een online rekentool ter beschikking met behulp waarvan de in de eerste zin bedoelde verhouding kan worden berekend.
8. Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs wordt rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.
9. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs waarbij kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel.
10. De pedagogisch beleidsmedewerker kan worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op grond van dit artikel voor zover deze in het kader van het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden tevens op de stamgroep bezig is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.
11. Op een stamgroep waar een of meerdere beroepskrachten in opleiding worden ingezet, wordt ten minste een beroepskracht per dag ingezet.
12. Andersgekwalificeerde beroepskrachten worden niet ingezet als beroepskracht in de dagopvang.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2023
- Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4997
- ABRvS 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:495
- ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:426
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2021
- Rb. Rotterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2581
- Rb. Midden-Nederland 12 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1391
- ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4735
- ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2956
- ABRvS 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2024
- Rb. Rotterdam 23 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3987
- Rb. Midden-Nederland 21 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2436
- Rb. Midden-Nederland 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5959
- Rb. Midden-Nederland 14 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3673
- Rb. Midden-Nederland 25 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2973
- Rb. Midden-Nederland 28 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5244
- Rb. Midden-Nederland 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4996
- Rb. Den Haag 23 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10053
- Rb. Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3412
- Rb. Amsterdam 10 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5983