Rb. Midden-Nederland 12 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1390

Boete, aanwijzing, overtreding Wet Kinderopvang, Besluit kwaliteit kinderopvang, bkr bewijslast, vaste gezichtencriterium, cumulatie van boetes, evenredigheid Artikelen 1.49 en 1.50 Wko, artikelen 3, 6, 7 en 9 van het Besluit kwaliteit kinderopvang (Bkk) en artikel 7 van de Regeling kwaliteit kinderopvang Samenvatting: Verweerder heeft onder meer vijf boetes opgelegd voor overtredingen van de drie-uursregeling, omdat buiten de toegestane tijden volgens het pedagogisch beleidsplan er te weinig beroepskrachten aanwezig waren. Volgens eiseres dienen deze boetes te worden gematigd omdat er bij deze vijf overtredingen sprake is van grote samenhang tussen de tekortkomingen. De rechtbank geeft eiseres gelijk. In de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2021 is geoordeeld dat een cumulatie van boetes mag, maar dat dit niet onbeperkt kan en dat moet worden gekeken of de boete gelet op artikel 5:46, tweede lid, van de Awb evenredig is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet zo, omdat sprake is van samenhang tussen de overtredingen. Weliswaar is de situatie niet helemaal gelijk aan de situatie zoals in de uitspraak van de ABRvS van 10 februari 2021 aan de orde was, maar er zijn wel relevante raakvlakken met die uitspraak. Het gaat hier om vijf fouten in een tijdsbestek van anderhalve maand, iedere keer aan het begin van de dag tussen 08.00-08.30 uur, van beperkte duur en telkens op dezelfde groep . Er was hier sprake van een zelfde soort roosterfout. Ook speelt bij de vaststelling van de ernst van de overtreding een rol dat de drie-uursnorm slechts eenmaal is overtreden met 11 minuten, namelijk op 16 april. In de andere gevallen is er nooit meer dan drie uur in totaal afgeweken van de bkr. De rechtbank volgt verweerder op het punt dat de tijdsduur van de overtredingen alleen niet doorslaggevend is om te matigen, maar het is wel een aspect dat verweerder in het kader van de vraag of de boete evenredig is moet meewegen. De rechtbank oordeelt dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien om de boete te matigen, omdat een boete van 5 x € 2.500,- niet proportioneel is. Zij zal de boete dan ook zelf matigen met 75%. De herstelmaatregelen zijn onvoldoende om de boete te matigen. Wel bestaat aanleiding om de boete verder te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn met tien maanden. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken