Art. 2.3 Wet natuurbescherming, Instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen
1. Gedeputeerde staten van de provincie waarin een op grond van artikel 2.1 aangewezen Natura 2000-gebied is gelegen, stellen voor dat gebied een beheerplan vast. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
2. Tot de inhoud van het beheerplan behoort in elk geval een beschrijving van de voor het Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen:
a. nodige instandhoudingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onderdelen b, c en d, en 4, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en passende maatregelen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn;
b. de beoogde resultaten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel a.
3. De daartoe bevoegde bestuursorganen dragen zorg voor een tijdige uitvoering van de door hen te treffen, in het beheerplan opgenomen maatregelen, voor zover zij met het opnemen van die maatregelen hebben ingestemd.
4. Een beheerplan wordt telkens vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar. Na verloop van het tijdvak kan het tijdvak eenmaal met ten hoogste zes jaar worden verlengd. Het eerste beheerplan wordt vastgesteld uiterlijk drie jaar na dagtekening van het besluit tot aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied.
5. In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het beheerplan, bedoeld in het tweede lid, een afzonderlijk onderdeel zijn van een ander plan of programma dat geheel of mede betrekking heeft op de inrichting, het beheer of het gebruik van een Natura 2000-gebied. Ingeval dat plan of programma wordt vastgesteld door een ander bevoegd gezag, geschiedt de opname van het onderdeel houdende het beheerplan voor het Natura 2000-gebied niet dan na instemming van de gedeputeerde staten, bedoeld in het eerste lid. Het derde lid en het vierde lid, derde volzin, zijn van overeenkomstige toepassing op dat onderdeel.
6. Gedeputeerde staten kunnen een beheerplan wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van ondergeschikte aard of tot verlenging van het tijdvak als bedoeld in het vierde lid, behoeven zij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 22 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578
- Rb. Den Haag 15 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6375
- ABRvS 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2210
- ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1166
- ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2198
- ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1782
- Rb. Oost-Brabant 21 juli 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:2974
- ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:361
- ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3397
- ABRvS 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4431
- ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3946
- Rb. Oost-Brabant 13 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2521
- ABRvS 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:428
- Rb. Oost-Brabant 19 december 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:6781
- Rb. Gelderland 5 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1434
- Rb. Overijssel 20 augustus 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4415
- Rb. Noord-Nederland 14 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4423
- Rb. Noord-Holland 20 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:594
- Rb. Noord-Holland 15 januari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:258
- Rb. Noord-Holland 18 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10969