Rb. Gelderland 5 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1434
De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van de tegen het beheerplan Rijntakken ingestelde beroepen Artikel 8.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) beperkt de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een beheerplan. Op grond van dit artikel kan namelijk alleen beroep worden ingesteld tegen bepaalde onderdelen van het beheerplan. In de eerste plaats de beschrijving van die projecten waarvan artikel 2.9 van de Wnb bepaalt dat deze niet onder de vergunningplicht van artikel 2.7 vallen (vrijstelling van de vergunningplicht), of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. In de tweede plaats de beschrijving van handelingen ten aanzien van soorten als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, of het ontbreken van een dergelijke beschrijving. De bestuursrechter kan in deze procedure dus maar over zeer specifieke onderdelen van het beheerplan oordelen. Meerdere eisers hebben beroep ingesteld, met name omdat de mogelijkheden voor delfstoffenwinning in het Natura 2000-gebied Rijntakken volgens hen drastisch worden beperkt door de in het vastgestelde beheerplan opgenomen conclusie over de benodigde foerageercapaciteit voor een aantal ganzensoorten en de smient. De andere eisers hebben beroep ingesteld, met name omdat het vastgestelde beheerplan onvoldoende duidelijkheid geeft over de realisatie van in het beheerplan opgenomen doelen en daarmee van de gebruiksmogelijkheden van de landbouwgronden en ontwikkelmogelijkheden van hun bedrijven. De onderwerpen die eisers in beroep noemen gaan niet over het al dan niet vrijstellen van de vergunningplicht, dan wel het al dan niet gelden van de verbodsbepalingen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De rechtbank is daarom onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl