Art. 24 Wpol, (rechtstreekse verstrekking aan inlichtingen- en veiligheidsdiensten)
1. Voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, kunnen door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verwerkte gegevens rechtstreeks geautomatiseerd worden vergeleken met bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk, te bepalen categorieën van politiegegevens teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen daarvoor rechtstreeks worden verstrekt aan ambtenaren werkzaam bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst waarbij in bepaalde, door een lid van het College van procureurs-generaal en de Directeur-Generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst gezamenlijk vast te stellen gevallen, op een gezamenlijk vast te stellen wijze, daarvan kennis wordt gegeven aan het lid van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.
2. Voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, kunnen door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst verwerkte gegevens rechtstreeks geautomatiseerd worden vergeleken met bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Defensie en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk, te bepalen categorieën van politiegegevens teneinde vast te stellen of verbanden bestaan tussen de betreffende gegevens. De gerelateerde gegevens kunnen daarvoor rechtstreeks worden verstrekt aan ambtenaren werkzaam bij de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst waarbij in bepaalde, door een lid van het College van procureurs-generaal en het hoofd van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst gezamenlijk vast te stellen gevallen, op een gezamenlijk vast te stellen wijze, daarvan kennis wordt gegeven aan het lid van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 66 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017.
3. Artikel 23, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3079
- ABRvS 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3223
- ABRvS 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3494
- Rb. Rotterdam 11 december 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:11615
- Rb. Oost-Brabant 29 april 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:1765
- Rb. 's-Hertogenbosch 30 mei 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ7115
- Rb. Rotterdam 14 november 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:9423
- Rb. Roermond 25 februari 2011, ECLI:NL:RBROE:2011:BP6001
- Rb. Noord-Holland 29 december 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:12291
- Rb. Midden-Nederland 30 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6212
- Rb. Haarlem 16 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW7578
- Rb. Haarlem 19 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5715
- Rb. Haarlem 19 april 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5689