ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1378

Besluit waarbij de staatssecretaris een subsidie van € 17.060.844 voor het jaar 2010 verleend in het kader van de Regeling Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland (hierna: de Regeling). (…) Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 6 februari 2013, LJN: BZ0794 en uitspraak van 13 april 2011, LJN: BQ1072), kan een derde op grond van zijn concurrentiepositie worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij een besluit tot subsidieverlening indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. Daarbij kan worden meegewogen dat de met subsidie ondersteunde bedrijfsactiviteiten kunnen leiden tot omzetverlies bij de derde. Voorts kunnen ook potentiële concurrenten als belanghebbende worden aangemerkt indien zij concrete plannen hebben en zijn begonnen met de uitvoering daarvan. Deze uitleg van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verdraagt zich met de eisen die het Hof stelt aan de toepasselijkheid van nationale procesregels in zaken met een Unierechtelijke dimensie (arresten van 16 december 1976, 33/76, Rewe, punt 5, LJN: BE4264; 16 december 1976, 45/76, Comet, punt 13, LJN: BE4268 ; 14 december 1995, C-312-93, Peterbroeck, punt 1228, LJN: AC3938 ; 7 juni 2007, C-222/05-225/05, Van der Weerd e.a., punt 28, LJN: BA9090 ). Deze eisen houden in dat de desbetreffende nationale procedureregels niet ongunstiger mogen zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Nu (potentiële) concurrenten die rechten ontlenen aan het Unierecht betreffende staatssteun (zie het arrest van het Hof van 13 januari 2005, C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant, punt 21, LJN: AT4136 ) als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb worden aangemerkt, onder dezelfde voorwaarden als (potentiële) concurrenten van wie de beroepsgronden uitsluitend ontleend zijn aan het nationale recht en deze voorwaarden niet zo strikt zijn dat de effectuering van deze rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk is, is aan deze eisen voldaan. Het is voorts aan de partij die stelt (potentiële) concurrent te zijn, om dit aannemelijk te maken. Anders dan appellanten stellen, volgt uit het arrest van het Hof van 7 september 2006 (C-526/04, LJN: AZ1323) niet dat op de minister dan wel de rechtbank een onderzoeksplicht als door appellanten bedoeld rustte. (…) De rechtbank heeft, gelet op vorenstaande, terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Appellanten geen concurrenten zijn van NOB, en daarmee geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen