Rb. Haarlem 16 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW7578
Nieuwe beslissing op bezwaar na eerdere uitspraak Rb. van 15 juni 2011 waarin beroep eiser tegen het bestreden besluit, op grond van de Wob, deels gegrond en deels ongegrond verklaard is. Verweerder heeft opgemerkt moeite te hebben met de lijn die de Afdeling (en in het spoor daarvan de Rb.) in zijn jurisprudentie in zaken als de onderhavige heeft uitgezet. Verweerder is van mening dat de Wpg zo gelezen moet worden dat geen enkel gegeven verstrekt kan worden dat door de betrokkenen zelf (te weten: aangevers, slachtoffers, getuigen en verdachten) te herleiden is naar hun (eigen) zaak. Dit komt er in feite op neer, zo onderkent verweerder, dat in de meeste gevallen geen feitelijke informatie verstrekt zou mogen worden. Daarmee wijkt verweerder af van de maatstaf volgens vaste jurisprudentie, inhoudende: indien stukken niet alle en niet geheel bestaan uit informatie waaruit kan worden afgeleid welke persoon aan het woord is of over wie wordt verklaard, moet het mogelijk worden geacht de stukken zodanig te schonen, dat daaruit vervolgens niet meer kan worden afgeleid wie over wie welke verklaring heeft afgelegd (vergelijk: de Afdeling 21 februari 2007, LJN: AZ9026). Met dit betoog werpt verweerder in feite een grief op tegen de eerdere uitspraak van deze Rb. en het daarin vervatte oordeel over de aan te leggen maatstaf bij het weglaten van persoongevoelige informatie, die verschilt – zo heeft ook verweerder ter zitting opgemerkt – van de maatstaf die hij zelf geraden acht en (wederom) heeft aangelegd. Verweerder werd immers opgedragen de processen-verbaal en mutaties zo te schonen dat kenbaar blijft dat aangifte werd gedaan, alsmede de aard van het voorval en de uitlatingen, evenwel zonder dat daaruit kan worden afgeleid wie aangifte heeft gedaan en ten aanzien van wie de aangifte of melding is gedaan. Reeds omdat een gegeven oordeel van de Rb. alleen in hoger beroep kan worden aangevochten, en verweerder daarvoor niet heeft gekozen, zal de Rb. het betoog van verweerder naast zich neer leggen. Hetgeen de Rb. in deze zaak eerder heeft overwogen geldt derhalve onverkort. De Rb. heeft met toepassing van art. 8:29, lid 5 Awb kennis genomen van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten en daarbij vastgesteld dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan hetgeen hem bij uitspraak van 15 juni 2011 is opgedragen. Dit is door verweerder ter zitting ook toegegeven. De Rb. stelt vast dat verweerder opnieuw passages heeft weggelaten die niet herleidbaar te achten zijn tot identificeerbare personen. Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep van eiser voor zover gericht tegen het weglaten van passages die niet herleidbaar te achten zijn tot identificeerbare personen. Aan het verzoek van eiser aan de Rb. om zelf te voorzien zal de Rb. geen gehoor geven. De Rb. is niet bereid, maar acht zich ook niet in staat tot het schonen van een grote hoeveelheid door de politie vervaardigde processen-verbaal en mutaties, nu zij van achtergrond noch samenhang van deze stukken op de hoogte is. De Rb. kan in zaken zoals de onderhavige slechts achteraf en op algemene wijze, met inachtneming van de motivering van verweerder, toetsen of deze zijn taak juist heeft vervuld. Het beroep is gegrond. De Rb. zal voorts bepalen dat verweerder aan eiser na te melden dwangsom verbeurt, indien verweerder niet voldoet aan deze uitspraak. De Rb. ziet hiertoe aanleiding, omdat de jurisprudentie over het verstrekken van gegevens duidelijk is en verweerder er eerder blijk van heeft gegeven het hiermee niet zo nauw te nemen. Voor de duidelijkheid wijst de Rb. verweerder er op dat de dwangsom wordt verbeurd indien niet binnen de gegeven termijn wordt beslist, maar ook indien niet met inachtneming van deze uitspraak (en de eerdere uitspraak van de Rb. van 15 juni 2011) wordt beslist.
De uitspraak op rechtspraak.nl