Art. 32 Wib, Bestuurlijke boete
1. Onze Minister stelt in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 31, eerste lid, een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaren waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, moet behalen.
2. Onze Minister verlengt de nieuwe termijn, bedoeld in het eerste lid, indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van de examenonderdelen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c.
3. De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste twee jaar worden verleend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2401
- ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2734
- ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:144
- ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2733
- ABRvS 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2732
- Rb. Zeeland-West-Brabant 31 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2979
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2669
- ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1359
- Rb. Rotterdam 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:8455
- Rb. Roermond 15 oktober 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BO1206
- Rb. Overijssel 22 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4378
- Rb. Noord-Holland 7 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9751
- Rb. Gelderland 4 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5121
- Rb. Den Haag 28 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:4884
- Rb. Den Haag 23 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3585
- Rb. Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1592