ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1359
Bij besluit van 4 maart 2019 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Bij kennisgeving van 11 juli 2014 heeft de minister [appellante] meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, dat haar inburgeringstermijn is gestart op 2 september 2013 en dat zij vóór 1 september 2016 aan deze plicht moet hebben voldaan. Vervolgens heeft de minister de inburgeringstermijn verlengd tot 6 juli 2017. Op 2 februari 2017 heeft [appellante] verzocht om verdere verlenging van de inburgeringstermijn. Zij heeft daarbij gesteld dat het door het overlijden van haar echtgenoot in 2014, schulden en ziekte niet mogelijk was om vóór 6 juli 2017 aan haar inburgeringsplicht te voldoen. Bij besluit van 19 april 2018 heeft de minister dat verzoek - onder verwijzing naar de door [appellante] overgelegde medisch adviezen van 12 september 2017 en 12 april 2018 - afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl