Art. 3a GDW, Ambt en bevoegdheid
1. De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële regeling is vastgesteld. De kennisgeving gaat vergezeld van alle gegevens die voorzienbaar van belang zijn voor de beoordeling of het verrichten van de ambtshandeling in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat en waarover de gerechtsdeurwaarder redelijkerwijs kan beschikken.
2. Onze Minister kan een gerechtsdeurwaarder aanzeggen dat een ambtshandeling die aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem reeds is verricht, in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.
3. Een aanzegging kan uitsluitend ambtshalve geschieden. In verband met de vereiste spoed kan een aanzegging mondeling geschieden, in welk geval zij onverwijld schriftelijk wordt bevestigd.
4. Van de aanzegging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
5. Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling nog niet verricht, dan heeft de aanzegging ten gevolge dat de gerechtsdeurwaarder niet bevoegd is tot het verrichten van deze ambtshandeling. Een ambtshandeling die is verricht in strijd met de eerste volzin is nietig.
6. Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld in het tweede lid, de ambtshandeling reeds verricht en behelsde deze een beslagexploot, dan betekent hij deze aanzegging aanstonds aan degene aan wie het exploot is gedaan, heft het beslag op en maakt de gevolgen daarvan ongedaan. De kosten van de betekening van de aanzegging komen ten laste van de Staat.
7. De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, de gevolgen van de aanzegging, bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de verplichtingen, bedoeld in het zesde lid, opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Indien de ambtshandeling een beslag behelst is artikel 438, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. De procedure wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, ingesteld binnen veertien dagen na de dag waarop de gerechtsdeurwaarder de aanzegging heeft ontvangen, bedoeld in het tweede lid. De bij de kennisgeving verstrekte gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden bij het begin van de procedure in het geding gebracht.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45
- HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2534
- HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371
- HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2354
- Conclusie A-G Niessen 9 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1129
- Hof Amsterdam 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1337
- Hof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2736
- Rb. Amsterdam 29 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1197
- Rb. Den Haag 29 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:559
- Conclusie A-G Vlas 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:551
- HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:727
- Rb. Rotterdam 22 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2443
- Rb. Den Haag 5 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16440
- Rb. Den Haag 27 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:534
- Rb. Den Haag 5 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9444
- Rb. Amsterdam 9 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6028
- Conclusie A-G Vlas 24 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:552
- Hof 's-Gravenhage 30 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8979
- Hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2251