Conclusie A-G Niessen 9 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1129

De in Nederland woonachtige belanghebbende was geruime tijd werkzaam bij het Europees Octrooi Bureau (hierna: het EOB). In 2009 is belanghebbende gepensioneerd. Van het EOB heeft belanghebbende in 2009 pensioen ontvangen, evenals een zogenoemde ‘partial compensation’ ter grootte van € 16.734. Anders dan salarisbetalingen aan werknemers van het EOB zijn pensioenbetalingen aan oud-werknemers niet onderworpen aan interne belastingheffing op grond van artikel 16, lid 2 Protocol inzake voorrechten en immuniteiten (hierna: het EOB-Protocol) ten gunste van de Europese Octrooi Organisatie (hierna: de EOO). Als gevolg hiervan wordt Nederlandse inkomstenbelasting geheven over de pensioenbetalingen. Ter compensatie van de nationale belastingheffing (er zijn lidstaten die geen inkomstenbelasting heffen over de pensioenbetalingen) voorzag het Pensioenreglement tot 1 januari 2009 in een tegemoetkoming in de belastingheffing (de zogenoemde ‘tax adjustment’). Deze tax adjustment was onderworpen aan Nederlandse ib-heffing. Vanaf 1 januari 2009 is deze tegemoetkoming vervangen door de ‘partial compensation’. Op 24 maart 2009 heeft de EOB besloten dat de ‘partial compensation’ is onderworpen aan een interne heffing en onder het begrip ‘emoluments’ valt als bedoeld in artikel 16, lid 1, EOB-Protocol. Het gevolg van deze kwalificatie is volgens belanghebbende dat de ‘partial compensation’ niet is onderworpen aan de Nederlandse ib-heffing. In geschil is kort gezegd of de ‘partial compensation’ is aan te merken als ‘emolument’ als bedoeld in artikel 16, lid 1, EOB-Protocol, zodat de compensatie niet meer in de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken of dat de ‘partial compensation’ moet worden aangemerkt als ‘pension’ als bedoeld in artikel 16, lid 2, EOB-Protocol, zodat geen sprake is van een heffing van interne belasting en de nationale inkomstenbelastingvrijstelling geen opgeld doet. Volgens de A-G is in de onderhavige zaak niet in geschil dat de partial compensation alleen wordt uitgekeerd aan voormalig werknemers die gepensioneerd zijn (de ‘former employees’) en derhalve niet aan huidige werknemers van het EOB. Nu vaststaat dat belanghebbende een ‘former employee’ is en expliciet in artikel 16, EOB-Protocol een onderscheid is gemaakt tussen ‘employees’ en ‘former employees’, kan belanghebbende naar zijn mening niet worden aangemerkt als ‘employee’ in de zin van artikel 16, lid 1, EOB-Protocol. Bovendien zou de bijzondere bepaling in het tweede lid voor ‘former employees’ en ‘pensions and annuities’ anders zinledig zijn. Voor de kwalificatie van de partiële compensatie acht hij met het Hof en het Bundesfinanzhof van doorslaggevende betekenis dat deze ertoe strekt de verzorgingsdoelstelling van de pensioenuitkeringen mede te realiseren. Daarnaast is in de systematiek van het EOV het begrip ‘emolument’ in artikel 16, lid 1, EOB-Protocol gekoppeld aan het begrip ‘salaries’ (salaries and emoluments) en niet gekoppeld aan het begrip ‘pensions’ als bedoeld in artikel 16, lid 2, EOB-Protocol. Dus kan de partiële compensatie (in de vorm van een aanvuling op het pensioen) volgens de A-G geen emolument zijn. Ook het voorwerp en het doel van het EOV pleiten volgens A-G Niessen tegen de door belanghebbende gewenste uitleg. Nu belanghebbende zijn werkzaamheden voor het EOB definitief heeft beëindigd (en hij moet worden aangemerkt als ‘former employee’) is het verlenen van voorrechten en immuniteiten aan hem niet in het belang van het goed functioneren van de organisatie en haar medewerkers in de zin van artikel 8 EOV jo. artikel 19 EOB-Protocol. Ten aanzien van de bevoegdheid van de nationale rechter merkt A-G Niessen op dat het Verdrag de beslechting van geschillen inzake de uitlegging van het Verdrag en het daarvan deeluitmakende EOB-Protocol niet toewijst aan een internationale rechter. Derhalve zal de nationale rechter daarover moeten beslissen. Ingeval een uitvoeringsregeling die door de Raad van Bestuur is ingesteld, in strijd is met het Verdrag of het EOB-Protocol, dient de toepassing van het Verdrag of EOB-Protocol voorrang te krijgen. De regelgevende bevoegdheid van de Raad van Bestuur laat onverlet dat het EOV en het EOB-Protocol alleen kunnen worden gewijzigd volgens de daarvoor geldende nationale en internationale procedureregels. Dat alle lidstaten in de Raad van Bestuur vertegenwoordigd zijn, doet daar volgens hem niet aan af. Daar het EOB-Protocol een deel van het verdrag vormt en het onderhavige besluit van de Raad van Bestuur afwijkt van het EOB-Protocol, is dat besluit niet bindend voor de verdragsluitende partijen. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken