Hof Amsterdam 31 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2736
Arbitraal vonnis ICC – met exequatur hier te lande – waarbij staat Irak is veroordeeld tot betaling van ruim € 38.000.000 aan Nederlandse vennootschap. Minister doet aanzegging ex art. 3a lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) dat executoriale derdenbeslagen ten laste van Irak onder tiental Nederlandse vennootschappen strijdig zijn met volkenrechtelijke verplich¬tin¬gen Nederlandse Staat en moeten worden opgeheven. Kort geding op de voet van artikel 438 lid 4 Rv jº artikel 3a lid 7 Gdw. Immuniteit van executie? Voorzieningenrechter heft op grond hiervan beslagen op. Hof vernietigt en heft verplichtingen ex art. 3a lid 6 Gdw op. Beoordeling in kader art. 438 lid 4 Rv ex tunc, niet ex nunc. Herfstarresten HR brengen niet mee dat beslaglegger moet stellen en bewijzen dat niet onmiddellijke, maar uiteindelijke (ultieme) bestemming (beslagen) vorderingen andere dan publieke bestemming is. Gelet op stellingen beslaglegger en verweer Staat voorshands voldoende aannemelijk geworden dat vorderingen door Irak worden gebruikt of zijn bestemd voor andere dan publieke doeleinden.
De uitspraak op rechtspraak.nl