Rb. Den Haag 5 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9444

Als uitgangspunt moet worden genomen dat de Europese Octrooi Organisatie (EOO) op grond van artikel 8 Europees Octrooi Verdrag en artikel 3 lid 1 van het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de EOO voor de vervulling van haar werkzaamheden immuniteit van jurisdictie geniet. Deze volkenrechtelijke immuniteit vormt een uitzondering op het recht op toegang tot de nationale rechter. Immuniteit van internationale organisaties is gebaseerd op de gedachte dat dergelijke organisaties onafhankelijk moeten kunnen functioneren. Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter geoorloofd is, is van belang of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en komt het er op aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast. De voorzieningenrechter is niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van VEOB c.s., nu voor de individuele werknemers van EOO en hun personeelsvertegenwoordigers voor in tuchtrechtelijke procedures genomen besluiten een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij ILOAT ter beschikking staat om de door het EVRM aan hen toegekende rechten effectief te kunnen beschermen en, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter niet aantast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen