Art. 27 VW, De verblijfsvergunning regulier
1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
a. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;
b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en
c. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:
a. ingevolge artikel 24 of ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen;
b. het rechtmatig verblijf van rechtswege is geëindigd;
c. een verblijfsvergunning is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet is verlengd.
3. De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.
4. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, niet als terugkeerbesluit, indien dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530
- Rb. Den Haag 7 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19122
- Rb. Den Haag 15 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2376
- HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8499
- ABRvS 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190
- ABRvS 18 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3338
- ABRvS 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:828
- ABRvS 3 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3403
- ABRvS 10 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2637
- ABRvS 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:829
- ABRvS 23 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1299
- Rb. Den Haag 13 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17304
- ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9281
- Rb. Den Haag 6 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18769
- Rb. Den Haag 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:22198
- Rb. Den Haag 10 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16575
- Rb. Den Haag 29 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3624
- Conclusie A-G Knigge 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:177
- ABRvS 22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2119