ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9281
De afwijzing van een asielaanvraag heeft, behoudens uitzonderingen, ingevolge artikel 45 van de Vw 2000 van rechtswege tot gevolg dat het rechtmatig verblijf van de betrokken vreemdeling eindigt en dat hij Nederland binnen de in artikel 62 van de Vw 2000 gestelde termijn dient te verlaten. In een besluit tot afwijzing van een asielaanvraag wordt een vreemdeling van deze rechtsgevolgen in kennis gesteld. Daarbij wordt onder meer aangegeven vanaf wanneer het verblijf in Nederland onrechtmatig wordt en welke termijn de betrokken vreemdeling wordt gegund om zelfstandig te vertrekken. Aldus is in de meeromvattende beschikking de door de richtlijn vereiste administratieve vaststelling vervat dat het verblijf van de derdelander onrechtmatig is of wordt en dat er een terugkeerverplichting is. Nu de vreemdeling voorts in de procedure gericht tegen het besluit op een asielaanvraag de juistheid van de vaststelling van de rechtsgevolgen van dat besluit aan de orde kan stellen, bestaat geen grond om aan te nemen dat van een doeltreffend rechtsmiddel, als bedoeld in 13, eerste lid, van de richtlijn, geen sprake is. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat na een afwijzend besluit op de asielaanvraag, ook als vóór het verstrijken van de implementatietermijn tot die afwijzing is besloten, geen afzonderlijk terugkeerbesluit meer behoeft te worden genomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl