ABRvS 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788

In het geval de vreemdelingenrechter in beroep, dan wel in hoger beroep nog geen uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van een besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking is, gelet op het doel van art. 72, lid 3 Vw 2000, voor toepassing van die bepaling geen plaats en moet een vreemdeling uit een oogpunt van concentratie van rechtsbescherming de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting aan de orde stellen in de procedure over zodanig besluit, door het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. In die voorlopigevoorzieningenprocedure kan een vreemdeling opkomen tegen de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt, dan wel naar voren brengen dat de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit, dat niet langer van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Indien naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van de Rb., dan wel de voorzitter van de Afdeling de feitelijke uitzettingshandeling niet rechtmatig is, kan hij bepalen dat de staatssecretaris een vreemdeling niet mag uitzetten totdat op het beroep dan wel hoger beroep is beslist. Indien gelijktijdig in beroep bij de Rb. en in hoger beroep bij de Afdeling een procedure over een besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking aanhangig is, is de voorzitter van de Afdeling bij uitsluiting bevoegd om vorenbedoeld verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in behandeling te nemen, teneinde onduidelijkheid over de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting terstond weg te nemen. Maakt een vreemdeling in weerwil van het vorenstaande bezwaar tegen de feitelijke uitzetting, dan moet dat als een aanvulling van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden beschouwd en zendt de staatssecretaris dit door aan de voorzieningenrechter van de Rb., dan wel de voorzitter van de Afdeling. Uit 1 tot en met 1.2 volgt dat in een geval als dit het met de bedoeling van de wetgever niet verenigbaar is en ook geen noodzaak bestaat om toepassing te geven aan art. 72, lid 3 van de Vw 2000. De feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van het krachtens die bepaling gemaakte bezwaar naar voren heeft gebracht, worden aangemerkt als een nadere aanvulling van het hogerberoepschrift en aldus bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen