Art. 95 WN, De tuchtrechtspraak
1. Het lidmaatschap van de leden van de kamer voor het notariaat vervalt van rechtswege indien zij de kwaliteit verliezen waarin zij benoemd zijn, met dien verstande dat ten aanzien van een lid als bedoeld in artikel 94, vierde lid, dit kwaliteitsverlies alleen dan intreedt wanneer hij noch kandidaat-notaris, noch toegevoegd notaris, noch notaris is.
2. Het in de artikelen 46c, onderdelen b en c, 46ca, eerste lid, onderdeel d, 46d, tweede lid, 46f, 46i met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, aanhef en onder a, en derde lid, 46m, 46o en 46p van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van deze leden.
3. De artikelen 13a, 13b, uitgezonderd het eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, en 13c tot en met 13g van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van gedragingen van deze leden, met dien verstande dat:
a. voor de overeenkomstige toepassing van die artikelen onder «het betrokken gerechtsbestuur» wordt verstaan: de voorzitter van de kamer voor het notariaat; en
b. de procureur-generaal niet verplicht is aan het verzoek, bedoeld in artikel 13a, te voldoen, indien de verzoeker redelijkerwijs onvoldoende belang heeft bij een onderzoek als bedoeld in datzelfde artikel.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1928
- Hof Amsterdam 27 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2505
- Hof Amsterdam 13 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2259
- Hof Amsterdam 5 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3586
- Hof Amsterdam 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2799
- Hof Amsterdam 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4377