Art. 26 Hvw, De huisvestingsvergunning
1. Onverminderd artikel 9, tweede lid, wordt een huisvestingsvergunning voorts aan iedere aanvrager verleend, indien de woonruimte door de eigenaar gedurende een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening te bepalen termijn van ten hoogste dertien weken vruchteloos is aangeboden aan de woningzoekenden die ingevolge het bepaalde krachtens de artikelen 9, 10, 11 en 12 voor die woonruimte in aanmerking komen.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing:
a. ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan de voor de betrokken woonruimte ingevolge die onderafdeling geldende maximale huurprijsgrens;
b. ingeval de woonruimte te huur wordt aangeboden en onderafdeling 2 van afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet op die woonruimte van toepassing is: indien de gevraagde huurprijs niet hoger is dan redelijk is, gelet op de huurprijs die in het economisch verkeer voor vergelijkbare woonruimten wordt overeengekomen;
c. ingeval de woonruimte te koop wordt aangeboden: indien de koopprijs niet hoger is dan redelijk is gelet op de waarde van de woonruimte in het economisch verkeer.
3. De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening regels met betrekking tot de wijze waarop de aanbieding dient plaats te vinden. De raad kan daarbij tevens regels stellen omtrent de wijze waarop aan burgemeester en wethouders moet worden aangetoond dat de aanbieding in overeenstemming met het bij en krachtens de wet bepaalde heeft plaatsgevonden, alsmede met betrekking tot de wijze waarop aan burgemeester en wethouders verslag moet worden uitgebracht over het verloop van de aanbiedingsprocedure.
4. Het eerste lid is tot 1 januari 2003 niet van toepassing ten aanzien van een standplaats die is bestemd voor een woningzoekende die met een woonwagen op een standplaats staat die is gelegen op een van de in de bijlage genoemde regionale woonwagencentra.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:103
- ABRvS 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3313
- ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3475
- ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4281
- ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4210
- ABRvS 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:730
- ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2845
- ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4419
- ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4285
- ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4280
- ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1401
- ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1391
- ABRvS 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2636
- ABRvS 22 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2118
- ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3280
- ABRvS 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2671
- Rb. Utrecht 2 november 2000, ECLI:NL:RBUTR:2000:AA8046
- Rb. Rotterdam 9 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR4878
- Rb. Amsterdam 17 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5932
- Rb. Amsterdam 17 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:175