Rb. Rotterdam 9 augustus 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BR4878

Beslissing van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond. De voorzieningenrechter acht zich bevoegdheid om van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van de 2 februari 2011 gewijzigde Huisvestingsverordening Stadsregio 2006. Op grond daarvan wordt thans tot een ander oordeel aangaande de bevoegdheid gekomen dan in de uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0507) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling overweegt de voorzieningenrechter dat in de door overheidsingrijpen gedwongen ontruiming een bijzondere omstandigheid gelegen zou kunnen zijn op grond waarvan tot urgentieverlening moet worden overgegaan. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat tegen de door eisers genoemde uitspraak hoger beroep is ingesteld, zie LJN AE6489, waarin de Afdeling gelet op artikel 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb overweegt dat in een voorkomend geval omstandigheden zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan het onredelijk is zonder enige vorm van compenserende maatregelen de nadelige gevolgen van een sluiting van een woning geheel voor rekening van de bewoner(s) van die woning te laten. Verzoekers hebben geen beroep ingesteld tegen het ontruimingsbevel. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd acht de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat verzoekers zich in een onhoudbare situatie bevinden. Verweerder heeft de door verzoekers aangevoerde omstandigheden in redelijkheid ontoereikend kunnen achten voor toepassing van de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 22 , derde lid, van de Huisvestingsverordening Stadsregio 2006. Tot slot slaagt het beroep op artikel 8 EVRM niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen