Art. 28 Hvw, De huisvestingsvergunning
1. Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken, indien:
a. de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen;
b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.
2. Burgemeesters en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning voorts intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:982
- ABRvS 19 oktober 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD7668
- ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5912
- ABRvS 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2697
- ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2647
- Rb. Amsterdam 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:599
- Conclusie A-G Keus 7 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3861
- Conclusie A-G Keus 7 mei 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO3860