Art. 2.12 WLV, ALGEMENE GEZONDHEIDSTOESTAND; VERBOD GEBRUIK ALCOHOL, DRUGS EN PSYCHOTROPE GENEESMIDDELEN
1. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het verrichten van die werkzaamheden kan verminderen, dat hij niet in staat moet worden geacht die werkzaamheden naar behoren te verrichten.
2. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten, indien hij binnen de tien daaraan voorafgaande uren alcoholhoudende drank heeft gebruikt.
3. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan negentig microgram (90 µg) alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel
b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan eenvijfde milligram (0,2 mg) alcohol per milliliter bloed.
4. Het is een lid van het boordpersoneel verboden werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te verrichten gedurende de tijd, waarvoor een rijverbod als bedoeld in artikel 162, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geldt.
5. Het is verboden een lid van het boordpersoneel van wie men weet of redelijkerwijs moet weten, dat deze verkeert in een toestand, als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, of in het eerste of derde lid van dit artikel, werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig te doen verrichten.
6. Het eerste, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op eenieder die luchtverkeersdiensten verleent, luchthaveninformatie verstrekt of een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, bedient.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567
- HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:92
- ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2826
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1902
- Conclusie A-G Paridaens 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:33
- HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1021
- Hof Arnhem-Leeuwarden 27 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11401
- Rb. Midden-Nederland 19 oktober 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5099
- Conclusie A-G Paridaens 31 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:762
- Conclusie A-G Knigge 27 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1319
- CRvB 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1934
- ABRvS 18 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1835
- Rb. 's-Gravenhage 6 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0379
- Rb. Rotterdam 12 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5357
- Rb. Haarlem 29 september 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK0371
- Rb. Haarlem 23 juni 2004, ECLI:NL:RBHAA:2004:AP3612
- Rb. Gelderland 13 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5429
- Rb. Den Haag 20 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2655
- Rb. Amsterdam 13 mei 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2569
- Conclusie A-G Keulen 5 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:673