Art. 3:288 BW, Bevoorrechte vorderingen op alle goederen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van:
a. de kosten van de aanvraag tot faillietverklaring, doch alleen ter zake van het faillissement dat op de aanvraag is uitgesproken, alsmede van de kosten, door een schuldeiser gemaakt, ter verkrijging van vereffening buiten faillissement;
b. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;
c. hetgeen een werknemer, een gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van reeds vervallen termijnen van pensioen van de werkgever te vorderen hebben, voor zover de vordering niet ouder is dan een jaar;
d. hetgeen waarop een werknemer, niet zijnde een bestuurder van de rechtspersoon bij wie hij in dienst is, een gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van in de toekomst tot uitkering komende termijnen van pensioen jegens de werkgever recht hebben;
e. al hetgeen een werknemer over het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd uit hoofde van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst;
f. de verschuldigde uitkeringen tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en in de kosten van levensonderhoud en studie van meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7022
- HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:898
- HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:904
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 1 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:189
- HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1108
- Rb. Midden-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0341
- Rb. Midden-Nederland 30 januari 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0334
- Rb. Limburg 11 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10155
- Rb. Amsterdam 13 september 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8649
- Conclusie A-G de Bock 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:752
- HR 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0189
- CRvB A-G de Bock 23 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1
- Rb. Overijssel 25 april 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:1901
- Rb. Limburg 14 augustus 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:10154
- Rb. Haarlem 28 juli 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2787
- Rb. Haarlem 28 juli 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2783
- Rb. Den Haag 1 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3915
- Rb. Amsterdam 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4741
- Conclusie A-G Keus 24 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0189