Art. 3:284 BW, Bevoorrechte vorderingen op bepaalde goederen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW3)
1. Een vordering tot voldoening van kosten, tot behoud van een goed gemaakt, is bevoorrecht op het goed dat aldus is behouden.
2. De schuldeiser kan de vordering op het goed verhalen, zonder dat hem rechten van derden op dit goed kunnen worden tegengeworpen, tenzij deze rechten na het maken van de kosten tot behoud zijn verkregen. Een na het maken van die kosten overeenkomstig artikel 237 gevestigd pandrecht kan slechts aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien de zaak of het toonderpapier in de macht van de pandhouder of een derde is gebracht. Een na het maken van die kosten overeenkomstig artikel 90 verkregen recht kan slechts aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien tevens aan de eisen van lid 2 van dat artikel is voldaan.
3. Het voorrecht heeft voorrang boven alle andere voorrechten, tenzij de vorderingen waaraan deze andere voorrechten zijn verbonden, na het maken van de kosten tot behoud zijn ontstaan.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3709
- Conclusie A-G Valk 26 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:187
- HR 24 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1680
- Conclusie A-G Huydecoper 17 oktober 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BE7451
- Rb. Noord-Holland 16 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4149
- Rb. Gelderland 1 mei 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ9608
- Rb. Arnhem 6 juli 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR2803
- Conclusie A-G Valk 20 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:741
- Conclusie A-G Hartlief 10 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1257
- Conclusie A-G Langemeijer 12 juli 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE1547