Art. 28 Advw, Van de samenstelling en de bevoegdheid
1. Het college van afgevaardigden stelt verordeningen vast in het belang van de goede uitoefening van de praktijk, alsmede ter waarborging van de eisen die op grond van artikel 10a daaraan worden gesteld.
2. Het college van afgevaardigden stelt bij of krachtens verordening voorts regels betreffende:
a. de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening;
b. de verplichte aansluiting bij een klachten- en geschillenregeling, waaronder de verplichte aansluiting bij een regeling waarbij sprake is van een overeenkomst tot arbitrage, bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van een vaststellingsovereenkomst, bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan geschillen omtrent de hoogte van een declaratie worden afgedaan;
c. een behoorlijke inrichting van de administratie van praktijkvoering voor advocaten;
d. de verzekering ter zake van het risico van de beroepsaansprakelijkheid van advocaten;
e. de huishouding en de organisatie van de Nederlandse orde van advocaten; en
f. de doorberekening van de kosten die de Nederlandse orde van advocaten maakt in verband met de uitoefening van tuchtrechtspraak aan haar leden.
3. voorstellen voor verordeningen worden aan het college van afgevaardigden gedaan door de algemene raad of door tenminste vijf afgevaardigden. Voordat de algemene raad een voorstel bij het college van afgevaardigden indient, kan het de raden van de orden in de arrondissementen uitnodigen hun oordeel kenbaar te maken.
4. Verordeningen worden na vaststelling onverwijld medegedeeld aan Onze Minister voor Rechtsbescherming en gepubliceerd in de Staatscourant.
5. Het college van afgevaardigden stelt geen verordeningen vast met betrekking tot de uitoefening door de deken van de orde in het arrondissement van het in artikel 45a, eerste lid, artikel 24, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en artikel 14, tweede lid, onderdeel b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening bedoelde toezicht of met betrekking tot de uitoefening door het college van toezicht van de in paragraaf 3a bedoelde taken en bevoegdheden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1603
- Conclusie A-G Drijber 21 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:355
- HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1514
- Hof 's-Hertogenbosch 3 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:685
- Conclusie A-G Spronken 25 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:62
- Rb. Rotterdam 7 oktober 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:7856
- Rb. Oost-Brabant 7 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:894
- Conclusie A-G Keus 29 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:343
- Conclusie A-G Timmerman 6 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1633
- Hof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1877
- ABRvS 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2061
- ABRvS 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8726
- ABRvS 6 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2030
- ABRvS 24 april 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1814
- Rb. 's-Gravenhage 16 september 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8974
- Rb. 's-Gravenhage 5 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6885
- Rb. 's-Gravenhage 15 mei 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5646
- Rb. Rotterdam 26 november 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AR2137
- Rb. Oost-Brabant 10 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2284
- Rb. Noord-Holland 16 februari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:1548