Rb. 's-Gravenhage 15 mei 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA5646

Belangenvereniging van Ondernemende Advocaten (BOA) tegen de Nederlandse Orde van Advocaten. Geschil over de gelding van de Verordening op de praktijkuitoefening (onderdeel WID en Wet MOT), die op 1 januari 2006 in werking is getreden. De BOA vordert de Orde te gebieden zich te onthouden van gedragingen die op de Verordening zijn gegrond, waaronder in het bijzonder zijn te begrijpen de audits als voorzien in het Mandaatbesluit Centrale Controle Verordeningen 2006. De vraag is of de verordening (onmiskenbaar) onverbindend is op grond van artikel 29 lid 2 Advocatenwet (Aw). De BOA beantwoordt deze vraag bevestigend, de Orde bepleit het tegendeel. In dit kort geding komt het aan op de uitleg van artikel 29 lid 2 Aw. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staan tegenover de argumenten ten gunste van de door de Orde bepleite uitleg ook argumenten ten gunste van de uitleg die de BOA voorstaat. Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan een nadere (af)weging echter achterwege blijven. Uit het overwogene volgt immers in elk geval dat de Verordening niet onmiskenbaar onverbindend is. Dit leidt tot afwijzing van de vordering van de BOA.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen