ABRvS 24 april 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1814
Verordening Permanente Opleiding is niet onverbindend. Afwijzing verzoek om ontheffing van verplichtingen in het kader van de permanente opleiding voor de advocatuur. Bij de interpretatie van de termen "dwangarbeid of verplichte arbeid" als bedoeld in art. 4 EVRM dienen blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen in het licht van de doelstellingen en de structuur van art. 4, waarbij met name de uitzondering onder art. 4.3.d voor "elk werk of elke dienst die deel uitmaakt van normale burgerplichten" als leidraad dient te gelden. Op grond van de in het arrest Van der Mussele genoemde criteria kan de opleidingsverplichting niet als dwangarbeid of verplichte arbeid in de zin van art. 4 worden aangemerkt. De algemene raad heeft terecht in aanmerking genomen dat een permanente opleiding naar huidig maatschappelijk inzicht noodzakelijk is. Bovendien is onweersproken gesteld dat de opleidingsverplichtingen geen onevenredig tijdbeslag op de advocaat leggen en dat diens reguliere werkzaamheden daardoor niet in het gedrang komen. Mede gelet op het beperkte tijdsbeslag door de opleidingsverplichting valt niet in te zien op welke wijze die verplichting een inbreuk zou kunnen vormen op het in art. 8.1 EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven. Van schending van art. 8.1 EVRM is derhalve geen sprake. De opleidingsverplichting beperkt appellant niet in zijn vrijheid van gedachten, geweten of godsdienst als bedoeld in art. 9.1 EVRM, nu de Verordening hem vrijlaat een keuze te maken uit een zeer gevarieerd onderwijsaanbod en bovendien de mogelijkheid biedt om op andere wijzen aan de verplichting te voldoen, bijvoorbeeld door het geven van onderwijs of het verzorgen van publicaties. Het betoog van appellant dat niet is voldaan aan de in het tweede lid van de artikelen 8 en 9 EVRM neergelegde bepaling, dat op de in de eerste leden van die artikelen genoemde rechten geen inbreuk mag worden gemaakt dan voor zover bij de wet voorzien en dat een uitdrukkelijke (wettelijke) delegatie van de bevoegdheid om grondrechten te beperken in art. 28 Advocatenwet ontbreekt, kan niet kan slagen. Van een inbreuk op deze rechten is immers geen sprake. Genoemd artikel is derhalve tevergeefs ingeroepen. Uit art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM en art.13 IVESC kan niet a contrario worden afgeleid dat deze een verbod bevatten om opleidingsverplichtingen op te leggen ter verzekering van een professionele beroepsuitoefening van advocaten. De Afdeling ziet in de gestelde opleidingsvoorwaarde geen beperking van het in art. 19.3 Grondwet erkende recht op vrije keuze van arbeid. Van onverbindendheid van art. 2 van de Verordening wegens strijd met de door appellant aangehaalde wetsartikelen is dan ook geen sprake. Hoger beroep van rechtbank Rotterdam d.d. 18 december 2000, opgenomen onder LJN AB1710 ECLI:NL:RBROT:2000:AB1710
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 19 Gw
- Artikel 94 Gw
- Artikel 1 Advw
- Artikel 28 Advw
- Artikel 10:10 Awb
- Artikel 4 EVRM
- Artikel 6 EVRM
- Artikel 8 EVRM
- Artikel 9 EVRM
- Artikel 2 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
- Artikel 13 Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten