Art. 234 Fw, Van de verlening van surseance van betaling en haar gevolgen
1. Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de boedel is, kan zijn schuld met zijn vordering op de boedel verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de aanvang van de surseance of voortvloeien uit een handeling vóór de aanvang van de surseance met de schuldenaar verricht.
2. De vordering op de schuldenaar wordt zo nodig berekend naar de regels in de artikelen 261 en 262 gesteld.
3. Van de zijde van de boedel kan geen beroep worden gedaan op artikel 136 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135
- Rb. Amsterdam 14 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5020
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 10 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:176
- Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 28 augustus 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:300
- Rb. Utrecht 14 mei 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BD1426
- Rb. Oost-Brabant 28 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5315
- Rb. Midden-Nederland 19 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:932
- Rb. Amsterdam 26 februari 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BH4246
- Conclusie A-G Timmerman 17 februari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU6552
- Conclusie A-G Koopmans 29 november 1991, ECLI:NL:PHR:1991:16
- Hof 's-Hertogenbosch 28 november 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF1692
- Hof Leeuwarden 15 februari 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0826
- Hof Amsterdam 24 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV1361