Art. 231 Fw, Van de verlening van surseance van betaling en haar gevolgen
1. De surseance stuit de loop niet van reeds aanhangige rechtsvorderingen, noch belet het instellen van nieuwe.
2. Indien niettemin de rechtsgedingen blotelijk betreffen de vordering van betaling ener schuld, door de schuldenaar erkend, en de eiser geen belang heeft om vonnis te verkrijgen, teneinde rechten tegen derden te doen gelden, kan de rechter, na van de erkenning der schuld akte te hebben verleend, het uitspreken van het vonnis opschorten tot na het einde der surseance.
3. De schuldenaar kan, voor zoveel betreft rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de boedel behorende ten onderwerp hebben, noch eisende, noch verwerende in rechte optreden, zonder medewerking der bewindvoerders.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1281
- Rb. Amsterdam 2 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:646
- Rb. Overijssel 23 december 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:5771
- Rb. Noord-Holland 23 februari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:1613
- Rb. Noord-Holland 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9606
- Rb. Arnhem 31 maart 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BM0057
- Rb. Amsterdam 20 juli 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV6896
- Rb. Amsterdam 29 januari 2003, ECLI:NL:RBAMS:2003:AF3760
- Conclusie A-G Timmerman 21 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:526
- Conclusie A-G Huydecoper 29 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK3571
- Conclusie 5 januari 1939, ECLI:NL:PHR:1939:2
- HR 5 januari 1939, ECLI:NL:HR:1939:80
- Hof 's-Hertogenbosch 6 mei 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1278
- Hof Arnhem 13 mei 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD5906
- Hof Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:181