Hof Arnhem 13 mei 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD5906
Het hof constateert dat [appellante], ook na daarop bij memorie van antwoord onder 2 en ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep te zijn gewezen, geen helderheid heeft verschaft hoe de primair en subsidiair gevorderde bedragen zich tot ieder der geïntimeerden verhouden. De hoofdelijke veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] is niet gevorderd, hun hoofdelijke verbondenheid is niet gesteld en evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld die hoofdelijke verbondenheid tot gevolg hebben. De veroordeling van A/B en Belba respectievelijk van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] voor gelijke dan wel ongelijke delen is evenmin gevorderd, enige (concrete) stelling daaromtrent ontbreekt en ook ontbreken gestelde feiten of omstandigheden waaruit een beoogde veroordeling tot gelijke dan wel ongelijke delen kan worden afgeleid. Aldus is onbegrijpelijk tot welk bedrag tegen welke geïntimeerde de vorderingen strekken. Dit is niet anders indien sprake zou zijn van verwevenheid van beide vennootschappen, [geïntimeerde sub 3] “het allemaal als één grote pot [beschouwt]”, ook gemeld “is (..) dat de privé-tegoeden feitelijk toebehoorden aan de vennootschappen” en uit de facturen kan worden afgeleid welke factuur aan welke geïntimeerde kan worden toegerekend (zie ondermeer onder 23 pleitnota [appellante]). De vorderingen zullen reeds hierom worden afgewezen, met passering van het (algemene) bewijsaanbod omdat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl