Art. 41 Verordening (EU) 2024/1620, Melding en toezending van de resultaten van gezamenlijke analyses
1. Wanneer uit de resultaten van een gezamenlijke analyse blijkt dat er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er witwaspraktijken of andere criminele activiteiten worden of zijn gepleegd ten aanzien waarvan het EOM zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig artikel 22 en artikel 25, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2017/1939, meldt de autoriteit de resultaten van de gezamenlijke analyse en eventuele aanvullende relevante informatie zonder onnodige vertraging aan het EOM.
2. In overleg met het EOM stelt de autoriteit ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op teneinde het formaat te specificeren dat de autoriteit moet gebruiken om informatie aan het EOM te melden.
De autoriteit dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 27 juni 2026 bij de Commissie in.
De Commissie is bevoegd om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 53.
3. Wanneer uit de resultaten van de gezamenlijke analyse blijkt dat er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er fraude, corruptie of andere illegale activiteiten met gevolgen voor de financiële belangen van de Unie worden of zijn gepleegd ten aanzien waarvan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, geeft de autoriteit de resultaten van de gezamenlijke analyse en eventuele aanvullende relevante informatie door aan OLAF.
4. Na uitdrukkelijke toestemming van alle aan de gezamenlijke analyse deelnemende FIE’s en indien uit de resultaten van de gezamenlijke analyse blijkt dat er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd ten aanzien waarvan Europol zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (38), geeft de autoriteit de resultaten van de gezamenlijke analyse en eventuele aanvullende relevante informatie door aan Europol.
5. Na uitdrukkelijke toestemming van alle aan de gezamenlijke analyse deelnemende FIE’s en indien uit de resultaten van de gezamenlijke analyse blijkt dat er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd ten aanzien waarvan Eurojust zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad (39), geeft de autoriteit de resultaten van de gezamenlijke analyse en eventuele aanvullende relevante informatie door aan Eurojust.
6. De autoriteit, het EOM, Europol, Eurojust en OLAF kunnen strategische en andere niet-operationele informatie, zoals typologieën en risico-indicatoren, uitwisselen op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen.
De voorwaarden voor de uitwisseling van de in de eerste alinea bedoelde informatie worden vastgelegd in de in artikel 94 bedoelde werkafspraken.