Art. 38 Verordening (EU) 2024/1620, Beslechten van meningsverschillen tussen niet-financiële toezichthouders in grensoverschrijdende situaties
1. De autoriteit kan niet-financiële toezichthouders op verzoek van een of meerdere niet-financiële toezichthouders op grond van artikel 46, 47, 50 of 54 van Richtlijn (EU) 2024/1640 of in andere gevallen helpen overeenstemming te bereiken volgens de procedure van de leden 3 en 4 van dit artikel wanneer een niet-financiële toezichthouder het niet eens is met de procedure of inhoud van een maatregel, voorgestelde maatregel of inactiviteit van een andere niet-financiële toezichthouder voor zover dat gevolgen heeft voor zijn eigen toezichttaken en -verantwoordelijkheden ten aanzien van een specifieke meldingsplichtige entiteit of meerdere meldingsplichtige entiteiten.
2. In andere gevallen dan die welke onder de artikelen 46, 47, 50 en 54 van Richtlijn (EU) 2024/1640 vallen, verzoekt een niet-financiële toezichthouder de autoriteit zonder onnodige vertraging om bijstand wanneer op grond van een bepaling van het Unierecht vereist is dat die niet-financiële toezichthouder met een andere niet-financiële toezichthouder of andere niet-financiële toezichthouders een overeenkomst, regeling of andere vorm van bestaande of geformaliseerde samenwerking met betrekking tot het toezicht op specifieke meldingsplichtige entiteiten tot stand brengt, en een van de volgende situaties zich voordoet:
a) de overeenkomst is bereikt, maar wordt door een van de partijen niet daadwerkelijk toegepast of nageleefd;
b) een niet-financiële toezichthouder concludeert op basis van objectieve redenen dat er een meningsverschil bestaat;
c) er zijn twee maanden verstreken sinds de datum waarop een niet-financiële toezichthouder een verzoek van een andere niet-financiële toezichthouder heeft ontvangen om een bepaalde maatregel te nemen teneinde aan de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde wetgevingshandelingen te voldoen, en de aangezochte toezichthouder heeft geen besluit genomen waarmee aan dat verzoek wordt voldaan.
3. De raad van bestuur beoordeelt elk in de leden 1 en 2 bedoeld verzoek en deelt de betrokken partijen mee of het dat verzoek gerechtvaardigd acht en voornemens is er overeenkomstig dit artikel gevolg aan te geven.
4. De autoriteit stelt een termijn vast voor bemiddeling tussen de niet-financiële toezichthouders, rekening houdend met desbetreffende termijnen die in het Unierecht worden bepaald en met de complexiteit en urgentie van de zaak. Tijdens de bemiddelingsfase treedt de autoriteit op als bemiddelaar. Indien nodig of indien het Unierecht daarin voorziet, brengt de autoriteit advies uit over de wijze waarop het meningsverschil kan worden bijgelegd.