Art. 37 Verordening (EU) 2024/1620, Waarschuwingen voor inbreuken op het Unierecht door niet-financiële toezichthouders en overheidsinstanties die toezicht houden op zelfregulerende organen

Verordening (EU) 2024/1620

1. Wanneer de autoriteit redenen heeft om te vermoeden dat een niet-financiële toezichthouder of een overheidsinstantie die toezicht houdt op zelfregulerende organen als bedoeld in artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640, de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde handelingen van de Unie of nationale wetgeving niet heeft toegepast of heeft toegepast op een wijze die een inbreuk op het Unierecht lijkt te vormen, stelt zij de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie in kennis van die vermoedelijke inbreuken en onderzoekt zij die.

Voor de toepassing van de eerste alinea kan de autoriteit handelen op verzoek van een of meerdere niet-financiële toezichthouders of overheidsinstanties, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, of op eigen initiatief, ook wanneer een dergelijke maatregel is gebaseerd op goed onderbouwde informatie van natuurlijke personen of rechtspersonen op grond van artikel 90.

2. De autoriteit kan de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie om alle informatie verzoeken die zij nodig acht voor haar onderzoek, met inbegrip van informatie over de wijze waarop de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde handelingen van de Unie of nationale wetgeving in overeenstemming met het Unierecht worden toegepast, maar met uitzondering van informatie die onder het recht op vertrouwelijkheid valt, tenzij de vrijstellingen van artikel 21, lid 2, tweede alinea, en artikel 70, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2024/1624 en artikel 52, lid 3, punt a), van Richtlijn (EU) 2024/1640 van toepassing zijn.

De betrokken toezichthouder of overheidsinstantie verstrekt de autoriteit onverwijld de gevraagde informatie.

Wanneer de van de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie verzochte informatie ontoereikend is gebleken of als ontoereikend wordt beschouwd om de informatie te verkrijgen die noodzakelijk wordt geacht voor het onderzoek naar de vermoedelijke inbreuk, kan de autoriteit, na de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie daarvan in kennis te hebben gesteld, rechtstreeks een naar behoren gemotiveerd en met redenen omkleed verzoek om informatie richten tot andere toezichthouders of overheidsinstanties die toezicht houden op zelfregulerende organen.

De adressaat van dat verzoek verschaft de autoriteit zonder onnodige vertraging duidelijke, correcte en volledige informatie.

3. De autoriteit kan, uiterlijk binnen zes maanden na de aanvang van haar onderzoek, tot de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie een aanbeveling richten waarin wordt uiteengezet welke maatregelen nodig zijn om de vastgestelde inbreuk te verhelpen.

Alvorens een dergelijke aanbeveling uit te brengen treedt de autoriteit, wanneer zij dat passend acht om een oplossing te vinden voor de inbreuk, in overleg met de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie om te proberen tot overeenstemming te komen over daartoe benodigde de maatregelen.

De betrokken toezichthouder of overheidsinstantie brengt de autoriteit binnen tien werkdagen na ontvangst van de aanbeveling op de hoogte van de stappen die zij heeft gezet of van plan is te zetten om de inbreuk te verhelpen.

4. Ingeval de toezichthouder of overheidsinstantie de in lid 3, eerste alinea, bedoelde vastgestelde inbreuk niet binnen één maand na ontvangst van de aanbeveling van de autoriteit heeft opgelost, geeft de autoriteit een waarschuwing af waarin zij de inbreuk uitvoerig beschrijft en aangeeft welke maatregelen de adressaten van de waarschuwing moeten nemen om de gevolgen van de inbreuk te beperken.

De in de eerste alinea bedoelde waarschuwing wordt gericht tot:

a) in het geval van een niet-financiële toezichthouder, diens tegenhangers in andere lidstaten, en, indien de toezichthouder een zelfregulerend orgaan is, tot diens overheidsinstantie;

b) in het geval van een overheidsinstantie, de zelfregulerende instanties die onder haar toezicht staan.

5. Zodra de betrokken toezichthouder of overheidsinstantie de inbreuk heeft verholpen, deelt de autoriteit dat mee aan de adressaten van haar in lid 4 bedoelde waarschuwing, samen met de melding dat de risicobeperkende maatregelen zijn stopgezet.

Vorige artikelen

Volgende artikelen