Art. 10 Verordening (EU) 2024/1356, Toezicht op de grondrechten
1. De lidstaten stellen bepalingen vast voor onderzoek naar beschuldigingen van niet-eerbiediging van grondrechten in verband met de screening.
De lidstaten zien er in voorkomend geval op toe dat burgerrechtelijke of strafrechtelijke procedures worden ingesteld wanneer overeenkomstig het nationale recht sprake is van niet-eerbiediging of niet-handhaving van grondrechten.
2. Elke lidstaat voorziet in een onafhankelijk toezichtmechanisme in overeenstemming met de vereisten van dit artikel, dat:
a) tijdens de screening toeziet op de naleving van het Unierecht en het internationaal recht, met inbegrip van het Handvest, met name wat betreft de toegang tot de asielprocedure, het beginsel van non-refoulement, het belang van het kind en de relevante regels inzake bewaring, met inbegrip van de relevante regels inzake bewaring in nationaal recht, en
b) garandeert dat onderbouwde beschuldigingen van niet-eerbiediging van grondrechten bij alle relevante activiteiten in verband met de screening doeltreffend en zonder onnodige vertraging worden behandeld, om zo nodig onderzoek naar dergelijke beschuldigingen in te stellen en toezicht te houden op de voortgang van dergelijk onderzoek.
Het onafhankelijk toezichtmechanisme heeft betrekking op alle activiteiten die de lidstaten bij de uitvoering van deze verordening ondernemen.
Het onafhankelijke toezichtmechanisme heeft de bevoegdheid om jaarlijkse aanbevelingen aan de lidstaten te doen.
De lidstaten voorzien in passende waarborgen om te garanderen dat het onafhankelijk toezichtmechanisme onafhankelijk is. Nationale ombudspersonen en nationale mensenrechteninstellingen, met inbegrip van nationale preventiemechanismen opgericht uit hoofde van het facultatief protocol bij het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (het “OPCAT”), nemen deel aan de werking van het onafhankelijk toezichtmechanisme en kunnen worden aangesteld om al of een deel van de taken van het onafhankelijke toezichtmechanisme worden uit te voeren. Bij het onafhankelijk toezichtmechanisme kunnen tevens relevante internationale en niet-gouvernementele organisaties en overheidsinstanties betrokken worden die onafhankelijk zijn van de autoriteiten die de screening uitvoeren. Voor zover een of meer van die instellingen, organisaties of instanties niet rechtstreeks bij het onafhankelijk toezichtmechanisme zijn betrokken, brengt het onafhankelijk toezichtmechanisme nauwe banden met hen tot stand en onderhoudt deze. Het onafhankelijk toezichtmechanisme brengt nauwe banden tot stand met de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en onderhoudt deze.
Het onafhankelijke toezichtmechanisme voert zijn taken uit op basis van controles ter plaatse en steekproefsgewijze en onaangekondigde controles.
De lidstaten verlenen het onafhankelijk toezichtmechanisme toegang tot alle relevante locaties, met inbegrip van opvang- en detentieaccommodaties, personen en documenten, voor zover die toegang voor het onafhankelijk toezichtmechanisme noodzakelijk is om aan de verplichtingen van dit artikel te voldoen. Toegang tot relevante locaties of gerubriceerde informatie wordt uitsluitend verleend aan personen die namens het onafhankelijk toezichtmechanisme handelen en die beschikken over de juiste veiligheidsmachtiging die door een bevoegde instantie is afgegeven overeenkomstig het nationale recht.
Het Bureau voor de grondrechten verstrekt de lidstaten algemene richtsnoeren voor het instellen van een toezichtmechanisme en de onafhankelijke werking ervan. De lidstaten kunnen het Bureau voor de grondrechten verzoeken om hen te ondersteunen bij het ontwikkelen van hun onafhankelijke toezichtmechanisme, en mede van de waarborgen voor de onafhankelijkheid van het mechanisme, van de methode voor het toezicht en van passende opleidingsprogramma’s.
De Commissie neemt bij het beoordelen volgens artikel 15, lid 1, van en bijlage III bij Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (36) van de doeltreffende toepassing en uitvoering van het Handvest de bevindingen van de onafhankelijke toezichtmechanismen in aanmerking.
3. Het in lid 2 van dit artikel bedoelde onafhankelijk toezichtmechanisme laat het monitoringmechanisme voor het toezicht op de operationele en technische toepassing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel zoals vermeld in artikel 14 van Verordening (EU) 2021/2303 en de rol van de toezichthouders voor de grondrechten bij het toezicht op de bescherming van de grondrechten bij alle activiteiten van het Europees Grens- en kustwachtagentschap zoals vermeld in artikel 80 van Verordening (EU) 2019/1896, onverlet.
4. De lidstaten voorzien het in lid 2 bedoelde onafhankelijk toezichtmechanisme van passende financiële middelen.