Art. 14 Verordening (EU) 2024/1356, Identificatie of verificatie van de identiteit
1. Voor zover dit niet reeds is gebeurd tijdens de toepassing van artikel 8 van Verordening (EU) 2016/399, wordt van onderdanen van derde landen die op grond van artikel 5 of 7 van deze verordening aan de screening worden onderworpen, de identiteit geverifieerd of vastgesteld aan de hand van, in voorkomend geval:
a) identiteits-, reis- of andere documenten;
b) gegevens of informatie die door de betrokken onderdaan van een derde land is verstrekt of van die onderdaan is verkregen, en
c) biometrische gegevens.
2. Voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde identificatie en verificatie van de identiteit doorzoeken de screeningsautoriteiten aan de hand van de in dat lid bedoelde gegevens of informatie het gemeenschappelijke identiteitsregister, dat is vastgesteld bij Verordeningen (EU) 2019/817 en (EU) 2019/818 (“CIR”) op grond van artikel 20 bis van Verordening (EU) 2019/817 en artikel 20 bis van Verordening (EU) 2019/818, het Schengeninformatiesysteem dat is vastgesteld bij Verordeningen (EU) 2018/1860, (EU) 2018/1861 en (EU) 2018/1862 (“SIS”) en, voor zover relevant, nationale databanken overeenkomstig het nationale recht. De biometrische gegevens van een aan de screening onderworpen onderdaan van een derde land worden één keer afgenomen voor zowel de identificatie of verificatie van de identiteit van die persoon als de registratie in Eurodac van die persoon, overeenkomstig artikel 15, lid 1, punt b), en de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EU) 2024/1358, naargelang het geval.
3. De in lid 2 van dit artikel bepaalde raadpleging van het CIR vindt plaats via het Europees zoekportaal (“ESP”) overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) 2019/817 en hoofdstuk II van Verordening (EU) 2019/818. Indien het ESP om technische redenen niet kan worden gebruikt om een of meer Unie-informatiesystemen of het CIR te doorzoeken, is de eerste alinea van dit lid niet van toepassing en raadplegen de screeningsautoriteiten de Unie-informatiesystemen of het CIR rechtstreeks. Dit lid geldt onverminderd de toegang van de screeningsautoriteiten tot het SIS, waarvoor het gebruik van het ESP facultatief blijft.
4. Indien de biometrische gegevens van de betrokken onderdaan van een derde land niet kunnen worden gebruikt of indien de in lid 2 bedoelde zoekopdracht aan de hand van die gegevens niet lukt of geen treffer oplevert, wordt de zoekopdracht uitgevoerd aan de hand van de identiteitsgegevens van de onderdaan van een derde land in combinatie met gegevens van identiteits-, reis- of andere documenten of met gegevens of informatie bedoeld in lid 1, punt b).
5. Zoekopdrachten in het SIS met biometrische gegevens worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) 2018/1861 en artikel 43 van Verordening (EU) 2018/1862.
6. De controles omvatten, waar mogelijk, ook de verificatie van ten minste één van de in een identiteits-, reis- of ander document opgenomen biometrische kenmerken.