Art. 16 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden kameelachtigen en hertachtigen

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520

1. De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 73, leden 1 en 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden kameelachtigen en hertachtigen worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan negen maanden.

2. De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden kameelachtigen of hertachtigen de inrichting waar zij zijn geboren of de inrichting van eerste aankomst indien zij vanuit de habitat waar zij als wilde dieren leefden naar die inrichting zijn verplaatst, niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 73, leden 1 en 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.

3. De bevoegde autoriteit kan exploitanten die rendieren houden vrijstellen van de in de leden 1 en 2 vastgelegde verplichtingen indien die vrijstelling de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang brengt.

4. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten exploitanten die hertachtigen houden, vrijstellen van de in lid 1 vastgelegde verplichtingen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de dieren:

i) worden extensief gehouden;

ii) zijn niet gewend aan regelmatig contact met mensen;

b) door de ruimte waar de dieren worden gehouden, zijn zij sterk geïsoleerd;

c) de vrijstelling brengt de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang.