Art. 13 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden runderen

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520

1. De exploitanten zorgen ervoor dat de in artikel 112, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde identificatiemiddelen vóór het verstrijken van de maximumtermijn na de geboorte van het dier als vastgesteld door de lidstaat waar de dieren zijn geboren, bij de gehouden runderen worden aangebracht. Deze maximumtermijn wordt berekend vanaf de datum van de geboorte van de dieren en bedraagt niet meer dan twintig dagen.

2. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten om redenen die verband houden met de fysiologische ontwikkeling van de dieren exploitanten toestaan de maximumtermijn voor het aanbrengen van een tweede identificatiemiddel te verlengen tot uiterlijk zestig dagen na de geboorte van de dieren indien dat tweede identificatiemiddel een bolustransponder is.

3. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten exploitanten toestaan de in lid 1 bedoelde maximumtermijn tot negen maanden te verlengen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de dieren:

i) worden extensief gehouden, waarbij kalveren bij hun moeder blijven;

ii) zijn niet gewend aan regelmatig contact met mensen;

b) door de ruimte waar de dieren worden gehouden, zijn zij sterk geïsoleerd;

c) de verlenging brengt de traceerbaarheid van de dieren niet in het gedrang.

De lidstaten kunnen de in de eerste alinea bedoelde toestemming beperken tot bepaalde geografische gebieden of tot bepaalde soorten of rassen van gehouden runderen.

4. De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden runderen de inrichting waar zij zijn geboren niet verlaten tenzij bij die dieren een in artikel 112, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 bedoeld identificatiemiddel is aangebracht.