Art. 17 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, Termijnen voor het aanbrengen van identificatiemiddelen bij gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen na binnenkomst in de Unie
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520
1. De exploitant zorgt ervoor dat gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen die in de Unie binnenkomen en daar blijven, binnen twintig dagen na hun aankomst in de inrichting van eerste aankomst worden voorzien van de in artikel 81 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen.
2. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten van eerste aankomst om redenen die verband houden met de fysiologische ontwikkeling van de dieren exploitanten toestaan de maximumtermijn voor het aanbrengen van een tweede identificatiemiddel te verlengen tot uiterlijk zestig dagen na de geboorte van de dieren indien dat tweede identificatiemiddel een bolustransponder is.
3. De exploitanten zorgen ervoor dat gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen de inrichting van eerste aankomst niet verlaten tenzij bij die dieren de in artikel 81 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen zijn aangebracht.