Art. 19 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, Vervanging van identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen, en termijnen daarvoor

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520

1. De bevoegde autoriteit mag exploitanten alleen toestemming verlenen om de identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen en hertachtigen te vervangen indien die vervanging de traceerbaarheid van de dieren, met inbegrip van de traceerbaarheid van de inrichting waar zij zijn geboren, niet in het gedrang brengt en indien identificatie van de individuele dieren in voorkomend geval mogelijk blijft.

2. Voor de in lid 1 bedoelde vervanging mag in de volgende gevallen toestemming worden verleend:

a) als dieren met twee identificatiemiddelen zijn geïdentificeerd en een van die identificatiemiddelen onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, mits de identificatiecode van de dieren ongewijzigd blijft en dezelfde blijft als de code op het resterende identificatiemiddel;

b) als dieren met een of twee identificatiemiddelen met de identificatiecode van de dieren zijn geïdentificeerd en die identificatiemiddelen onleesbaar zijn geworden of verloren zijn gegaan, mits het mogelijk blijft de identificatiecode van de dieren met redelijke zekerheid vast te stellen en de identificatiecode van de dieren ongewijzigd blijft;

c) als gehouden schapen, geiten of varkens met een identificatiemiddel met het unieke registratienummer van een inrichting zijn geïdentificeerd en dat identificatiemiddel onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, mits het mogelijk blijft de inrichting waar de dieren zijn geboren of, in voorkomend geval, de laatste inrichting van de toeleveringsketen met redelijke zekerheid vast te stellen en op het vervangende identificatiemiddel het unieke registratienummer van die respectievelijke inrichtingen is aangegeven;

d) voor gehouden schapen en geiten mag het vervangen van de in de onder a) en b) bedoelde identificatiemiddelen door een nieuwe identificatiemiddelen met een nieuwe identificatiecode worden toegestaan, mits de traceerbaarheid daardoor niet in het gedrang komt.

3. De in lid 1 bedoelde vervanging van de identificatiemiddelen wordt zo snel mogelijk, binnen een maximumtermijn die wordt vastgesteld door de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteit de exploitanten toestemming heeft verleend het identificatiemiddel te vervangen, en voordat de dieren naar een andere inrichting worden verplaatst, uitgevoerd.

4. Als de identificatiecode van gehouden runderen, schapen, geiten en varkens op de in bijlage III, onder a) en b), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde identificatiemiddelen vanwege technische beperkingen niet kan worden gereproduceerd op een elektronisch identificatiemiddel, verleent de bevoegde autoriteit alleen toestemming voor het aanbrengen van een nieuw elektronisch identificatiemiddel met een nieuwe identificatiecode bij die dieren indien beide identificatiecodes in de in artikel 109, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestanden zijn opgeslagen.