Art. 11 Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520, Operationele regels voor de goedkeuring van elektronische identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen
Uitvoeringsverordening (EU) 2021/520
1. Bij de goedkeuring van de in bijlage III, onder c) tot en met f), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde elektronische identificatiemiddelen voor gehouden runderen, schapen, geiten, varkens, kameelachtigen, hertachtigen en papegaaiachtigen, verzekert de bevoegde autoriteit zich ervan dat de fabrikanten van de elektronische identificatiemiddelen hebben aangetoond dat de in bijlage II, deel 2, punt 4, bij deze verordening bedoelde conformiteits- en prestatietests zijn uitgevoerd in overeenkomstig ISO/IEC-norm 17025 (Algemene eisen voor de competentie van test- en kalibratielaboratoria) geaccrediteerde testcentra.
2. Bij de goedkeuring van de van de in lid 1 bedoelde elektronische identificatiemiddelen kan de bevoegde autoriteit van de fabrikanten daarvan eisen dat zij, overeenkomstig de door de desbetreffende lidstaat vastgestelde normen, aanvullende tests voor robuustheid en duurzaamheid uitvoeren om het functioneren van die identificatiemiddelen onder de specifieke geografische of klimaatomstandigheden in die lidstaat te waarborgen.