Art. 12 Verordening (EU) 2020/698, Verlenging van de in Richtlijn 2012/34/EU vastgestelde termijnen
1. Niettegenstaande artikel 23, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU, indien een vergunningverlenende autoriteit heeft bepaald dat een vergunning regelmatig aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen, worden de termijnen voor het uitvoeren van een regelmatig onderzoek die overeenkomstig die bepalingen anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zes maanden.
2. Niettegenstaande artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU, wordt de geldigheid van tijdelijke vergunningen die anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, geacht te zijn of te worden verlengd met een periode van zes maanden vanaf de in die tijdelijke vergunningen vermelde vervaldatum.
3. Niettegenstaande artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU neemt de vergunningverlenende autoriteit met betrekking tot in de periode tussen 12 januari 2020 en 31 augustus 2020 ingediende aanvragen een besluit uiterlijk negen maanden nadat alle relevante informatie, met name de in bijlage III bij die richtlijn bedoelde gegevens, is verstrekt.
4. Indien een lidstaat van oordeel is dat het voeren van een regelmatig onderzoek of het beëindigen van de schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen, na een eerdere intrekking, waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan hij een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in lid 1 of lid 2 genoemde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 en/of de periode van zes maanden. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.
5. Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde perioden te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de beëindiging van de schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen in gevallen waarin vergunningen voorheen zijn ingetrokken, naar verwachting onmogelijk zal zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.